RO2015 verslag: Misdaad in de achtertuin

Kenniscentrum

Titel: Misdaad in de achtertuin
Trainers: Paul Bolwerk en Henk van Gelder
Datum: 18 april 2015
Verslag: Mieke Breedijk

De doorgewinterde regiojournalisten Paul Bolwerk en Henk van Gelder, de Dalziel en Pascoe onder de misdaadverslaggevers, deelden tijdens de workshop hun ervaringen met ons.

Hoe krijg je een zo compleet mogelijk verhaal? Hoe voorkom je dat je je als journalist een
lijkenpikker voelt? Om met dat laatste te beginnen: bedenk dat je niet voor jezelf achter het
roodwitte politielint staat. Je doet het omdat je lezers geinformeerd willen worden over ‘de
moord en doodslag in hun eigen achtertuin’.

Nabestaanden of slachtoffers doen bovendien graag hun verhaal, ze moeten het kwijt, willen gehoord worden.

“En”, voegde het duo eraan toe, “je hoeft niet alles in de krant te zetten.”

Belangrijk is dat je het vertrouwen dat bronnen in je stellen, niet beschaamt. Als je pieper gaat vertrek je als misdaadjournalist natuurlijk zo snel mogelijk naar de plaats
delict.

Ook al wil je misschien met je neus vooraan staan om niets te missen, Bolwerk en Van
Gelder hebben ervaren dat de beste bronnen vaak wat op de achtergrond blijven.

De eerste 48 uur zijn cruciaal voor de informatieverwerving, dus geef je ogen en oren goed de kost. Vraag bronnen naar hun 06-nummer, zodat je ze om meer informatie kunt vragen. Laat zelf je visitekaartje achter. Bezoek de plaats delict vaker dan een keer. Gebruik je lokale netwerk.

En schuim het internet af op zoek naar reacties op bijvoorbeeld Twitter en Facebook. Het kan handig zijn, zeker bij grote zaken, om een zaakdossier aan te leggen met submappen,
waaronder een documentje met tips en vermoedens.

De gouden standaard voor het journalistieke misdaadonderzoek, voor elk onderzoek, bestaat volgens het duo uit de volgende vragen: Wie zijn erbij betrokken, waar vind ik hen, hoe krijg ik ze aan het praten, welke documenten zijn er allemaal, wie heeft ze/waar zijn die documenten en hoe krijg ik ze in handen dan wel ter inzage. Houd steeds voor ogen dat een bron geen bron is.

Waak als journalist voor vooroordelen. Het gaat er niet om of een bron aardig is. Ben zo
neutraal mogelijk. Dat betekent ook dat je je steeds moet afvragen waarom iemand jou iets wil vertellen, wat is zijn/haar belang? Moord en doodslag liggen altijd gevoelig, maar ben
vasthoudend, ga vaker terug naar een bron die niet wil praten. Bel ze, mail ze, ga bij ze langs.

Bij nabestaanden kun je een briefje in de bus gooien waarin je ze op respectvolle wijze de
mogelijkheid biedt te reageren, wanneer ze daaraan toe zijn. Onthoud je van speculaties, ga er nooit ofte nimmer in mee.

Als onderzoeksmethode gebruiken Bolwerk en Van Gelder vaak die van het sneeuwbaleffect.

Vraag een bron naar andere personen (of documenten) die zijn/haar verhaal kunnen
bevestigen. Doe dat vervolgens ook weer bij de persoon naar wie je wordt verwezen.

Een belangrijke tip is dat je daarbij geen namen moet noemen! Leg alleen je informatie en vragen voor. Goede bronnen zijn de piketadvocaat (ook als een andere advocaat de zaak later overneemt), de zaaksofficier van justitie, de politiewoordvoerder (zorg dat je deze kent), het strafdossier (probeer daar de hand op te leggen, of in elk geval op de tenlastelegging).

Als het lukt een verdachte of veroordeelde te spreken is dat natuurlijk helemaal mooi. Voor praten met de media moet een gedetineerde toestemming van de gevangenisdirecteur hebben.

Schrijf de verdachte een brief en zet mr. voor je naam; brieven van advocaten mogen niet worden geopend. Vraag de verdachte in de brief om je op de bezoekerslijst te zetten.

Gebruik geen kladblok tijdens die ontmoeting! Ga zo veel mogelijk naar rechtszittingen – ook de pro forma zitting – en probeer daar betrokkenen te spreken.

Tot slot pleitten Bolwerk en Van Gelder voor het duoschap in de misdaadverslaggeving.

Samen hebben ze de nodige zaken uitgeplozen om daar uitgebreid in de Gelderlander over te publiceren.