“Geheime overheidsinformatie is te vinden in openbare bronnen”

Cafe

Dankzij klokkenluider Edward Snowden en een niet aflatende stroom onthullingen weten we steeds meer over de spionagepraktijken van de Amerikaanse veiligheidsdienst NSA. Ook die in de lage landen. Maar de activiteiten van onze eigen inlichtingendiensten zijn nog vooral in nevelen gehuld. Hoe vind je een achterdeur in zo’n gesloten bolwerk? En hoe bescherm je je informatie en jezelf? Verslag van het VVOJ Café ‘Sleutel tot de geheime dienst’ op maandagavond 27 januari.

Sprekers:  Steven Derix (NRC Handelsblad), Huub Jaspers (VPRO Argos), Constant Hijzen (faculteit Geesteswetenschappen van de universiteit Leiden)
Gespreksleider: Daan Marselis
Locatie: Grand Café-Restaurant 1e Klas, Amsterdam Centraal Station
Datum: 27 januari 2014
Verslag: Pauline Sinnema

Het was het credo van de Amerikaanse onderzoeksjournalist I.F. Stone: “Veel overheidsinformatie, ook de geheime, is gewoon te vinden in openbare bronnen.” Een uitspraak uit het pre-digitale tijdperk. Steven Derix (NRC Handelsblad) en Huub Jaspers (VPRO Argos) zeiden, in het vvoj-cafe over De Sleutel tot de Geheime Dienst, hetzelfde. Maar net als toen is het graven in een enorme hooiberg naar die paar spelden. En de hooiberg is alleen maar groter geworden.

Met zomaar jaarverslagen lezen kom je er niet, ook al bevatten die vaak wel degelijk onthullingen. Je moet goed geïnformeerd zijn, verhuld taalgebruik kunnen decoderen,  kennis vanuit andere bron erop los laten, dwarsverbanden leggen, en gewoon logisch blijven nadenken.

Zoals toen Steven Derix in een nieuwsberichtje las dat er bij een vuurgevecht in Afghanistan tussen een Nederlandse missie en acht ‘smokkelaars’ vier doden waren gevallen. Afghanen. Maar wat was er dan met die andere vier gebeurd? Hij ging bellen. Gevangen genomen ? Overgedragen aan de VS ? Guantanamo Bay misschien ? Ja dus.

Ook buiten de journalistiek, vertelde historicus Constant Hijzen (faculteit Geesteswetenschappen van de universiteit Leiden), die promotie-onderzoek doet naar veiligheids- en inlichtingendiensten, valt het feitenonderzoek niet mee. Hij noemde het een regelrechte ‘worsteling’ om toegang tot bronnen te krijgen, waarbij hij vaak het onderspit delft.

Nederland loopt voorop, aldus Huub Jaspers, met de instelling van onafhankelijke commissies van toezicht  op de veiligheidsdiensten. “Maar zonder de rol van de media zou dat toezicht niet veel voorstellen.” Vaak wordt er pas na journalistieke onthullingen een onderzoek ingesteld. Bijvoorbeeld na het Argos-verhaal over het onder druk zetten van vluchtelingen om informant te worden in ruil voor een snelle verblijfsvergunning. Waarbij dan blijkt dat de militaire inlichtingendienst en de IND ruimhartig samenwerken.

Ook het ouderwetse handwerk wordt ingezet: standvastig blijven wobben of anderszins juridisch stukken afdwingen, tot je van een boosaardige tegenstander meer krijgt dan je vroeg, en je het pad moet zien te vinden in kilo’s onduidelijk papier.

Bij het parlement valt weinig te halen; daar zijn geheimhoudingsconstructies ontwikkeld waar niet veel volksvertegenwoordigers tegen bestand zijn. Hoewel de sanctie op klikken redelijk mild lijkt: drie maanden schorsing. Een straf waar Femke Halsema – na geheime mededelingen over teruggestuurde asielzoekers die geen zelfmoord hadden gepleegd maar waren vermoord – kennelijk voor was teruggeschrokken, hoewel ze, zei ze in Argos, nog wel had overwogen om de feiten publiek te maken.

De opzet van de commissie Stiekem, waarbij de fractievoorzitters gevoelige informatie verstrekt krijgen op basis van geheimhouding, lijkt waterdicht. Maar er zijn wel degelijk om- en uitwegen, vindt Constant Hijzen. “De agenda van zo’n vergadering kun je inzien, ook de stukken, en die kun je, zolang die vergadering nog niet heeft plaatsgevonden en je iets ernstig genoeg vindt, doorspelen naar de vaste Kamercommissie.” Dat dat niet gebeurt, wil niet zeggen dat het niet kan.

Andere manier van informatie vergaren: naar het buitenland gaan. Informanten ter plekke zoeken. En ook ambassades kunnen, soms zelfs gewoon on the record, goede bronnen van informatie zijn.

Heb je als journalist eenmaal staatsgeheimen op zak, dan is het ernstig aan te bevelen om die onmiddellijk veilig te stallen. Formeel ben je strafbaar als je de info alleen al in bezit hebt. Steven Derix  heeft nooit usb-stickjes in zijn jaszak: als je wordt aangehouden ben je ze kwijt. En ben je bewijsbaar strafbaar. Hij heeft ook geïnvesteerd in manieren om zijn software te versleutelen. Lastig om te leren. Hoewel:  “Eén dag vloeken en je hebt het onder de knie.” Niet dat je dan onkwetsbaar bent, maar daarna moeten ze echt inbreken op je computer en daar bestaat kennelijk toch enige terughoudendheid in.

Huub Jaspers beveiligt zich onder meer door zo min mogelijk mensen te vertellen waar hij mee bezig is. Zijn Argos- en VPRO-baas worden wel ingelicht, altijd, voor het geval hij wordt vastgezet en er juridische actie moet worden ondernomen. En een zeer doelmatige beveiliging is goede samenwerking met een buitenlands medium, in zijn geval een grote Duitse krant. Met de wederzijdse afspraak: als mij iets gebeurt, publiceren jullie onmiddellijk.

En in ieder geval nooit bronnen noemen. Je maakt de ander, vaak onnodig, bijzonder kwetsbaar. Maar ook jezelf. Want wat doe je tegen de ongemakkelijke beschuldiging dat je ‘de staatsveiligheid in gevaar brengt’ met al die onthullingen ?

Steven Derix zocht uit wat er gebeurd was rond de minstens tweehonderd keer sinds 9-11 dat er per arrestatieteam mensen uit hun huis gesleurd waren. Acht veroordelingen leverde dat uiteindelijk op, de rest werd na drie dagen vrijgelaten. Is de overheid hier niet wat doorgeschoten ? Derix: “Dan krijg je te horen: je weet niet wat we voorkomen hebben, neem maar van mij aan dat dat hele gevaarlijke mensen waren.”

Tja.