Nieuws

“Ik ben nu veel sterker tegen offshoring dan zes maanden geleden”

Begin april werden de eerste resultaten gepubliceerd van wat de grootste journalistieke cross-border-samenwerking ooit is, Offshore Leaks. 86 journalisten uit 46 landen onderzochten onder de paraplu van het International Consortium of Investigative Journalists (ICIJ) data afkomstig uit 2,5 miljoen documenten. Ze brachten honderden offshore-constructies en belastingontwijkers aan het licht. In Nederland werkt dagblad Trouw mee aan het mega-onderzoek, in België is dat Le Soir. Alain Lallemand, onderzoeksjournalist bij Le Soir en de enige Belg die lid is van het consortium, vertelt over de complicaties en voordelen van zo’n internationale journalistieke krachtenbundeling. “Toen ik de lijst voor de eerste keer zag en merkte dat er geen politici of hoge piefen tussen stonden, dacht ik dat het project in België geen kans maakte. Dat was een foute inschatting.”

Door: Rafael Njotea
(
Dit interview verscheen eerder bij het Fonds Pascal Decroos)

Mr Lallemand, in het offshore leaks project bent u verantwoordelijk voor het hele Belgische luik van het onderzoek. Vertel eens, hoe begin je aan zoiets?

Wel, begin oktober 2012 is het voor mij echt begonnen. Toen kreeg ik een eerste namenlijst toegestuurd van Belgen die betrokken zijn bij offshoring. Die lijst kwam van Nicky Hager, een specialist in datajournalistiek uit Nieuw-Zeeland, die het voorbereidende computerwerk voor zijn rekening had genomen. De lijst omvatte zo’n veertig à vijftig namen. Mijn eerste taak was om die namen te bekijken. Zag ik er daar tussen waarvan ik dacht dat ze interessant en relevant zouden kunnen zijn voor België, dan moest ik Nicky die namen laten weten en dan konden we aan de slag.

In het oog sprongen: Pierre Bocquet – we wisten immers al dat er problemen waren geweest rond Tractebel – en de diamantairs. Maar dat was dan ook alles. Meteen was duidelijk dat er voor België geen vette vis in zat; niemand uit de politiek, niemand uit de top tien van rijkste Belgen… Tenminste, dat is wat er naar boven kwam uit die namenlijst. Maar dat bleek niet helemaal correct. Zo’n lijst is namelijk samengesteld op basis van een korf waarin men, tijdens het verwerken van de gigantische hoeveelheid data, díe namen verzamelt waarvan men vermoedt dat ze bij een bepaald land horen. Soms glippen er echter namen door de mazen van het net. Zo komt het dat Pathok Chodiev, de op één na rijkste Belg, terechtkwam in de korf van Kazachstan. Het was pas nadat mijn Roemeense ICIJ-collega me had getipt, dat ik Chodiev op het spoor kwam.

Jullie geven dus wel feedback aan ICIJ en aan elkaar?

Inderdaad. Een deel van onze opdracht, naast het voeren van het onderzoek, bestaat erin om ICIJ te laten weten welke artikels over offshore leaks er allemaal in onze respectieve landen verschijnen en over wie er in die artikels geschreven wordt. Daarnaast houden we hen op de hoogte van hoe justitie en politie omgaan met de onthullingen, zodat zij alle ontwikkelingen goed kunnen opvolgen.

Hoe belangrijk was die onderlinge terugkoppeling? Was een dergelijk project mogelijk geweest zonder de coördinatie van ICIJ?

Neen. Eerst en vooral is er het financiële aspect. De databank die aan het project ten grondslag ligt, bevat miljoenen gegevens. Er zijn uren en uren werk gekropen in het verwerken en sorteren van die data. Daar zijn middelen en materiaal voor nodig. En ICIJ is in staat die te voorzien.

De tweede heel belangrijke rol van ICIJ is precies die coördinerende rol tussen alle betrokken journalisten. Als elke journalist toegang had tot alle miljoenen documenten waarmee hij zomaar in het wilde weg zijn zin kon doen, dan zou er een soort wereldwijde frenzy zijn uitgebarsten om toch maar eerst te kunnen publiceren. Dat zou betekenen dat ik bijvoorbeeld in het oog moest houden of er in de Indische kranten geen Belgische scoop stond; dat de Amerikaanse kranten niets over Luxemburg zouden publiceren, etc. Iedereen zou gek geworden zijn. Maar nu ligt de controle bij ICIJ. Zij zeggen: “Je krijgt toegang tot de documenten in de databank, maar wij houden toezicht; je mag enkel zoeken naar dingen die jou aanbelangen.” Dat betekent niet dat ik enkel toegang heb tot de Belgische documenten. Wel wordt er toezicht gehouden op mijn zoekgedrag en de zoekwoorden die ik gebruik in de databank, op basis van mijn login. Aan de hand daarvan weten ze of ik mijn werk doe als Belgische reporter, of dat ik aan het werk zou zijn voor Zweedse collega. Of… dat bijvoorbeeld een inlichtingendienst mijn login zou hebben verkregen en de databank uitpluist. Dat is, naast cyberattacks, de grootste angst van ICIJ. En daarom dus dat er zo’n Big Brother is die toezicht houdt op ons zoekgedrag.

Dat lijkt me een erg strikte opvolging!

Misschien wel, ja. Maar dat is ook nodig. Kijk, aan het project werken meer dan 80 journalisten mee. Sommigen krijgen te maken met heel zware druk vanuit gerecht of politie, bij anderen is er van druk nauwelijks sprake. De kans bestaat dat iemand aan die druk bezwijkt en zijn bronnen verklapt. Daarom is het voor ICIJ belangrijk om op de hoogte te zijn van de situatie in elk land; om op tijd ruggensteun te kunnen bieden aan de journalisten die het nodig hebben. Ik heb hier in België absoluut niet te klagen. Maar van mijn Roemeense collega in Boekarest weet ik dat er veel druk op hem is uitgeoefend door zowel de Roemeense als de Moldavische autoriteiten…

Maar ook op de samenwerking tussen de journalisten onderling houdt ICIJ een oogje in het zeil. En dat is ook goed. Als je meer dan 80 journalisten samen zet, brengt dat nu eenmaal problemen met zich mee. Laat me een concreet voorbeeld geven dat de Vlamingen zich goed zullen kunnen inbeelden. Le Soir werkt samen met De Standaard. ICIJ werkt in België via mij samen met Le Soir. Maar in Nederland werkt ICIJ via Joop Bouma samen met Trouw. Stel, ik zoek iets op in de ICIJ-databank en ik bezorg die bevindingen aan De Standaard, dan zou het kunnen dat die nadien in NRC Handelsblad verschijnen, want die twee hebben ook een samenwerking. En daar zou Trouw natuurlijk niet mee zijn opgezet. De afspraak is dus dat wij vanuit Le Soir wel dingen aan De Standaard mogen bezorgen, maar enkel als dat geen concurrentie oplevert met Trouw. ICIJ wil dus conflicten vermijden tussen de journalisten die meewerken aan internationale projecten, maar ook tussen hun kranten.

Had u verwacht dat er wereldwijd zo ontzettend veel media-aandacht zou zijn voor offshore leaks?

Absoluut niet. De aandacht die er was op de eerste en tweede dag na de publicatie was ongelooflijk. Echt ongelooflijk. In mijn hele professionele leven heb ik zoiets nog maar drie keer meegemaakt. De eerste keer was toen ik een huurmoordenaar van de Russische maffia achter me aan had gekregen, de tweede keer na de bombardementen in Bagdad, waarover ik verslag had uitgebracht. En nu dus de derde keer. Het was onvoorstelbaar. Iederéén wilde een interview!

Maar om heel eerlijk te zijn: in het begin geloofde ik niet in het project. Toen ik de lijst voor de eerste keer zag en merkte dat er geen politici of hoge piefen tussen stonden, dacht ik dat het project in België geen kans maakte. Dat was een foute inschatting. Pas later zag ik in hoe belangrijk fiscale rechtvaardigheid is voor de mensen in een periode van budgettaire discipline, een periode van hoge werkloosheidscijfers. En ik voel dat ik ook zelf veranderd ben. Ik ben nu veel sterker tegen offshoring gekant dan zes maanden geleden.

Het project is nog steeds bezig. Komen er nog Belgische onthullingen aan?

Voor België is het binnenlandse luik van het onderzoek in principe afgesloten. Ook voor veel andere landen is dat het geval. Op 4 april werd het project gepubliceerd, half april al vergaderden we via Skype om de volgende stappen uit te zetten. Journalisten in verschillende landen hadden in die tijdsspanne heel veel interessante dingen naar buiten gebracht, maar de tijd was daar om de blik te richten op een resem nieuwe landen en op de cross-border-aspecten van het onderzoek.

Het wordt nu voor iedereen dus over de grenzen kijken?

Inderdaad. Voor België betekent dat bijvoorbeeld dat we Luxemburg onder de loep zullen nemen. Dat is nog niet gebeurd, terwijl we weten dat er in de Luxemburgse korf Belgen te vinden zullen zijn. Een ander voorbeeld is Dubai. Er is nog geen lijst voor dat land, terwijl het toch een echte fiscale black box is. De Indiërs en de Chinezen binnen ICIJ zullen er binnenkort hun blik op moeten richten. Of kijk naar Liechtenstein, waarvoor de Zwitsers en de Duitsers al interesse hebben getoond.

Hoe reageerde de redactie van Le Soir op uw medewerking aan het project?

Toen ik aan het project begon, was ik met verlof. Dus veel geld kostte mijn medewerking Le Soir toen zeker niet. (lacht) Er zijn twee punten geweest waarover wel gediscussieerd is op de redactie. Ten eerste: willen we namen publiceren? Zeker in de wetenschap dat er in de lijst namen stonden van bijzonder vermogende mensen die zware gerechtelijke wapens zouden kunnen inzetten, was dat niet evident. Maar uiteindelijk is er beslist om de namen toch vrij te gegeven. Ten tweede wilden we er zeker van zijn dat we op juridisch vlak helemaal gedekt waren wat betreft bronnenbescherming.

De vraag die ik me nu stel, is in hoeverre de redactie hiermee tot op de bodem zal willen gaan. Wat België betreft, is dat gebeurd. De Belgische namen die ik niet vrijgegeven heb, zijn namen die vanuit journalistiek oogpunt niet relevant genoeg waren, die geen meerwaarde betekenden voor het publiek belang. Maar wat met Luxemburg? Zal de redactie bereid zijn me voldoende tijd te gunnen om ook het hele Luxemburgse dossier, dat eigenlijk veel belangrijker is dan het Belgische, uit te spitten?

Waarom is het als journalist belangrijk om actief te zijn in een internationaal netwerk zoals ICIJ?

Het heeft me toegelaten om onderzoeken te doen die ik me voordien zelfs niet had kunnen voorstellen. Kijk, eind jaren ’90 werkte ik samen met een Italiaanse journalist en een Antwerpse ngo aan een project over wapensmokkelaars. Ik vond dat toen al best een sterk netwerk. Maar met ICIJ werd ik dus opeens lid van een netwerk dat bezig was met een project over bij wijze van spreken alle wapensmokkelaars en huurlingen ter wereld! Dat was toen de periode van de contracten voor Afghanistan en Irak, met Kellogg Brown & Root en de private military contracting companies.

Ik heb bijzonder veel geleerd door de manier waarop zulke netwerken werken. De studenten die het college volgen dat ik geef, vertel ik altijd dat ze zelf nooit genoeg tijd, geld en materiaal zullen hebben om in hun eentje aan complexen dossiers te werken. Werk samen en dat lukt wel.

Maar ook en vooral inhoudelijk geeft een internationaal netwerk voordelen die je anders misloopt. In het verleden heb ik bijvoorbeeld met ICIJ gewerkt op ‘collateral damage’ in de oorlog. Ze zochten een Franstalige voor een reportage in Djibouti. Ik zei ja, maar zag niet goed in op welke manier dat interessant zou kunnen zijn voor een Belg. Maar toen het onderzoek afgerond was, realiseerde ik me hoe enorm boeiend het was om samen te werken. Zo heb ik dingen aangebracht voor de Amerikanen. De Roemenen vonden dan weer dingen die voor mij interessant waren, evenals de Polen. Zo helpt iedereen uiteindelijk elkaar. Voor het offshore leaks project zijn het de Indiërs geweest die dingen gevonden hebben die het onderzoek in Antwerpen hebben vooruit geholpen, zie je?

Zijn netwerkorganisaties de toekomst?

Tja. ICIJ heeft het grote geluk gehad om één van de allereerste netwerken te zijn die zijn opgericht. Ze hebben dus van in het begin veel funding gekregen. Sindsdien zijn er bijzonder veel van die netwerken bijgekomen, terwijl de taart nauwelijks groter wordt. Tien jaar geleden betaalde ICIJ je reiskosten en alle andere onkosten. Dat kunnen ze nu niet meer. Het financiële voordeel van netwerkorganisaties zal in de toekomst dus zo goed als niet meer spelen. De reden waarom samenwerkingen nu zoveel meerwaarde bieden, is van een andere aard. Dat heeft te maken met de globalisering en met het feit dat de wereld complexer wordt. En daardoor zullen netwerkorganisaties in de toekomst een groot voordeel blijven bieden. Wat dat is? Simpel, de mogelijkheid om samen te werken.

Gerelateerde artikelen

Driekwart van de Woo-verzoeken (verzoek om openbaarmaking van documenten op grond van de Wet open overheid) die bij de ministeries in behandeling zijn, bevindt zich ver over de wettelijke termijnen. Van de 759 verzoeken die medio juni bij de ministeries lagen, waren er 575 al (veel) langer dan zes weken binnen. Zes weken is de termijn waarbinnen een besluit moet worden genomen over een Woo-verzoek. Tot 1 mei heetten deze aanvragen nog Wob-verzoeken.

Op vrijdag 24 juni 2022 zijn op de Avond voor de Onderzoeksjournalistiek in Antwerpen de Oeuvreprijs 2022, de ASN Aanmoedigingsprijs 2021 en de Loep 2021 uitgereikt. Met deze prijzen viert de Vereniging van Onderzoeksjournalisten (VVOJ) jaarlijks de beste onderzoeksjournalistiek in Nederland en Vlaanderen.

Sluit je aan bij de vereniging van onderzoeksjournalisten

En vergroot je kennis én netwerk