De Loep, Nieuws

Gaat de onderzoeksjournalistiek aan haar eigen succes ten onder?

Loep-uitreiking in Pakhuis de Zwijger in Amsterdam.

Hieronder volgt de weergave van de keynote van Groene-redacteur Coen van de Ven die hij uitsprak op het Feest van de Onderzoeksjournalistiek op 19 juni 2026.

Coen uit zijn zorgen over de relatie tussen de macht, de pers en het publiek aan de hand van drie punten:

  1. Niet de maker, maar de ontvanger verandert op dit moment
  2. Hoe blijft Onderzoeksjournalistiek relevant in tijden van nieuwe verzuiling?
  3. Hoe moet de journalistiek omgaan met een steeds onverschilligere macht?

 

Drie maanden geleden stond ik op een podium zoals dit, eveneens op een avond over journalistiek en hield ik een verhaal waarin ik mijn zorgen uitsprak over de relatie tussen de macht en de pers en vooral de onverschilligheid van die eerste. Organisatoren van deze avond hoorden dat verhaal en vroegen of ik het wilde uitwerken voor hier.

Ik zal hierop uitgebreid ingaan, maar eerst wil ik het even over iets anders hebben. Want wat de organisatie niet had kunnen weten, is dat het precies tien jaar geleden is dat ik lid werd van deze vereniging. Ik kwam in 2016 als 23-jarige student uit het buitenland terug en wilde zo snel mogelijk terug de journalistiek in. Ik had geluk. Ik trof de toenmalige directeur van de VVOJ en zij smokkelde mij gratis het congres van Leuven in, waar ik in ruil voor twee moderatieklussen de wereld van de onderzoeksjournalistiek kon verkennen.

Ik leerde op die conferentie mijn huidige collega’s kennen. Ik sprak een van hen aan, vroeg wie er eigenlijk die ene mailbox van De Groene Amsterdammer wél in de gaten hield, en een week later zat ik daar op een gesprek. In datzelfde conferentieweekend kreeg ik als 23-jarige een compliment van dé Kees van den Bosch, iets dat hij zelf allang vergeten is, maar voor iemand die droomde van doordringen in deze wereld op dat moment erg belangrijk was.

In de jaren en conferenties die volgden vond ik er vrienden, samenwerkingspartners en talloze onderzoekideeën. Zo herinner ik mij ooit dat ik mij met Amra van de VRT enige tijd heb verdiept in het online schaakgedrag van een uiterst rechts politicus.

Hij bleek trouwens een beroerd schaker.

Maar nu dwaal ik af.  Wat ik vooral wil zeggen: voor mij was en is de VVOJ belangrijk en toen ik er jaren later in het bestuur zat, leerde ik dat de vereniging precies zo leuk, vitaal en interessant is als de inspanning van haar leden. En juist door die inspanningen is de vereniging nog steeds een opstapje voor 23-jarigen die de wereld van de onderzoeksjournalistiek willen betreden.

Mijn eigen lidmaatschap van de VVOJ liep parallel aan mijn tocht in de journalistiek, in een tijd waarin de sfeer van pessimistisch naar optimistisch omsloeg. Want wie in de jaren ’10 van deze eeuw de journalistiek in kwam, trof een dorre depressieve vlakte. Het gratis internet zou ons gaan verslinden. Er zouden nooit meer vaste banen bijkomen en iedereen zou freelancers worden – en dan niet van het vrolijke maar van het armlastige soort.

Het pakte ingrijpend anders uit. Er brak juist een onderzoeksjournalistieke bloeiperiode aan. Follow the Money, dat jarenlang had moeten vechten om bestaansrecht, is een levendig piratennest geworden dat nog altijd graaft en waarvan een van de oprichters zich inmiddels in een volgend project heeft vastgebeten. NRC heeft een prachtige onderzoeksgroep, De Volkskrant ook weer en bij het AD, Trouw, Het Parool en vele andere kranten worden tegels gelicht. Bij Investico zijn de vrienden niet weg te slaan.

Ook in Vlaanderen zijn hoopvolle ontwikkelingen te bespeuren. De Standaard heeft met ‘DS onderzoekt’ de onderzoeksjournalistiek structureel onderdeel gemaakt van de krant en zich gecommitteerd aan het maandelijks doorspitten van dossiers die anders zouden blijven liggen. De Morgen bracht onlangs alle dokterslonen in kaart. En Pano en De Tijd bevinden zich steevast onder de genomineerden van de prijs die vanavond wordt uitgereikt.

Op dagelijkse basis klotst de onderzoeksjournalistiek via actualiteitenrubrieken onze kant op. Steeds vaker en ook steeds beter. Wie goed kijkt naar hoe die onderzoeksjournalistiek is gemaakt – en het fijne aan De Loep is dat het niet primair de impact maar het graafproces beloont – ziet dat wat wij maken indrukwekkender is dan ooit.

Laat ik een voorbeeld geven van iets waarop recent mijn oog viel en dat wat weinig aandacht kreeg: tech-redacteur Joost Schellevis van de NOS volgde een maand geleden 10.969 stiertjes op hun tocht van Ierland naar Nederland. Met behulp van AI hadden hij en collega’s de oormerknummers gekraakt. Op LinkedIn schreef Schellevis: ‘AI [heeft] ons heeft geholpen om in vijf weken tijd iets te doen wat voor zover bekend niemand ooit is gelukt, en dat ons zonder AI ook niet was gelukt.’

Het FD analyseerde 1,8 miljoen energielabels en legde gesjoemel op grote schaal bloot. NRC vloog het afgelopen jaar de wereld over om met bronnen op tal van plekken te spreken over de hoofdaanklager van het Internationaal Strafhof, en is samen met The Guardian de leidende krant als het gaat om dit ingewikkelde verhaal. Ze overtoepen daarmee The New Yorker.

Nog één voorbeeld: een consortium van zeven media combineerde OSINT-technieken, bodemonderzoek en Woo-verzoeken om aan te tonen dat op 216 plekken in Nederland staalslakken liggen. Wie had het tien jaar geleden geloofd als je had verteld dat in de Lage Landen onderzoeksjournalistiek zou worden bedreven die de kwaliteit van gespecialiseerde technische onderzoeksinstituten overklast?

Mijn punt moge duidelijk zijn. Er gaat in onze landen geen week, misschien zelfs geen dag, voorbij zonder indrukwekkende journalistiek.

Iedereen vrolijk en vol zelfvertrouwen?

Dan ga ik nú mijn zorgen delen.

Kortweg komt die neer op de vraag of de onderzoeksjournalistiek niet stilletjes aan begint te lijden onder haar eigen succes. Iets dat ik samen zou willen vatten in de volgende paradox: wij maken steeds meer kabaal en produceren steeds knappere journalistiek, maar worden we nog wel genoeg gehoord?

Mijn zorg gaat dus niet over dat wat wij zenden, maar over hoe dat wordt ontvangen en de vraag óf dat überhaupt nog wel resoneert.

Punt 1: niet de maker, maar de ontvanger verandert op dit moment

Om de meest voor de hand liggende zorg alvast even te noemen: AI, waarbij je volgens mij steeds de verwarring ziet dat het ons als makers gaat vervangen. Terwijl ik denk dat dat wel meevalt, zeker als je hier zit, zeker als je onderzoeksjournalist bent.

Het meest waarschijnlijke is dat AI niet de maker verandert, maar de gebruiker. Bij tal van redacties hoor je de eerste zorgen dat het aantal mensen dat inlogt op hun websites aan het teruglopen is.

Neem bijvoorbeeld De Persgroep, dat gratis studentenabonnementen is gaan uitdelen. Een enorme stunt. Maar wat blijkt? Zelfs als je ze al die dure inhoud gratis komt brengen, is er kennelijk weinig interesse. De abonnementen worden aanvaard, maar de app wordt door deze doelgroep nauwelijks geopend.

Als ik hier eens naar vraag op een middelbare school of aan mijn studerende nichtjes van 20 dan hoor ik dat ze lange lappen geschreven tekst vooral enorm onpraktisch vinden. Dat ze niet snappen dat je zo omslachtig informatie tot je zou nemen.

Hoe het compromis eruit zal zien tussen onze inhoud en de vorm waarin die dan wél wordt aanvaard, is kortom nog lang niet gevonden. Van de week sprak ik de hoofdredacteur van een grote Nederlandse krant waar ze óók zijn begonnen met snelle TikTok-video’s en andere manieren om buiten de redactiemuren te breken.

Het probleem? Elke maand staat de videomaker aan het bureau van deze hoofdredacteur om te vertellen dat de video van het algoritme toch weer iétsje korter moet dan de maand daarvoor. Als de algoritmes van deze tijd inderdaad een spiegel zijn van onze ziel – of in ieder geval van onze van onze aandachtspanne – dan is dat op den duur slecht nieuws voor onze professie.

Het leert denk ik vooral dat het maken van een massaproduct steeds lastiger wordt en je met zeer creatieve vertelvormen, of veel beter schrijven, journalistiek moet maken die heel gericht de aandacht van een doelgroep vasthoudt.

En dat brengt mij op mijn tweede zorg.

Punt 2: Hoe blijft Onderzoeksjournalistiek relevant in tijden van nieuwe verzuiling?

Nog niet zo heel lang geleden – voor de overname van Elon Musk – zaten we zo’n beetje allemaal op hetzelfde platform. Ik wil de kritiek die we toen al hadden niet tenietdoen, want er was een hoop op aan te merken. Maar er bestond wel degelijk een digitale marktplaats waar alle verschillende media en alle politieke stromingen een paar keer per dag samenkwamen.

Elke dag dreven op die plek zo’n vijf verhalen naar boven die iédereen gelezen had.  Die vanzelfsprekendheid is weg.

Als journalist werkend in Den Haag valt het mij op dat politici uit verschillende stromingen zich verhouden tot hele andere verhalen en actuele ontwikkelingen. Verhalen op platformen die ze normaal gesproken niet bezoeken, hebben ze vaak volledig gemist. De publieke ruimte valt na een korte periode van consolidatie stilletjes weer uiteen.

Wie op zomaar een doordeweekse dag Trouw of De Morgen heeft gelezen en een keer is ingelogd op BlueSky heeft een heel andere beleving dan de lezer van De Telegraaf die daarnaast op X inlogt. Vroeger bestonden die deelpublieken natuurlijk ook, maar die journalisten, opiniemakers, politici en andere leden van de kletsende klassen troffen elkaar nog wel op een plek en kregen elkaars nieuws mee.

Dit is niet per se een sombere ontwikkeling. Vrolijk zou je kunnen opmerken dat media vandaag de dag veel onderscheidener zijn dan vijf of tien jaar geleden. Kranten hebben meer een eigen smoel gekregen en die nieuwe zuilen zorgen ook voor pluriformiteit.

De vraag waar wij nu wel voor staan is: tegen wie hebben wij het als we op publiceer klikken? Drie decennia lang – de jaren negentig, jaren nul en jaren tien – hebben wij kunnen geloven dat we tegen één publiek spraken. Die tijd is over en koppig doen alsof je tegen één publiek spreekt is daarmee achterhaalt.

Daarmee beland je automatisch bij een volgende vraag: hoe blijf je agenderend in zo’n verzuild medialandschap?

Een paar jaar geleden schreef ik met de inmiddels 76-jarige journalist Jan Tromp – oud adjunct-hoofdredacteur van de Volkskrant – een boekje over de relatie tussen pers en politiek. En hij vertelde mij hoe in zijn tijd, eind jaren zeventig, iedereen nog een zuil bediende maar journalisten in Den Haag geregeld bij elkaar kropen om samen de puzzel te leggen. En deze soms zelfs met elkaar afstemden.

Ik moest eraan denken bij het zien van één van de genomineerden vanavond, het verhaal over hoe christelijke organisaties in Nederland de kolonisatie van Palestijnse gebieden financieren.

Dat verhaal is gemaakt door drie totaal verschillende redacties. Het uitgesproken links-activistische BOOS van Tim Hofman, het protestants-christelijke Nederlandse Dagblad en het institutioneel en rechtsstatelijk georiënteerde Investico. Dat dan ook weer verscheen in het vrijzinnig-intellectuele weekblad waar ik zelf werk: De Groene Amsterdammer.

Het is gezamenlijk onderzoek dat geagendeerd wordt in drie totaal verschillende werelden en op die manier bijzonder moeilijk is om te negeren óf om verdacht te maken – al zie ik overigens wel dappere pogingen daartoe, maar dat terzijde.

Als de trend doorzet dat het publieke debat verder uiteenvalt in deelpublieken dan kan hier de sleutel liggen: ga op het eerste oog onverwachte samenwerkingen aan en breng het nieuws naar de verschillende werelden die in Nederland zijn ontstaan.

Zelfs als er zuilen bestaan, laat ons als journalisten dan nog wel over die zuilen heen nieuwsgierig blijven naar wat we maken en daarin samenwerken.

Zo kom ik op mijn derde en laatste punt.

Punt 3: hoe moet de journalistiek omgaan met een steeds onverschilligere macht?

Waarmee we terug zijn bij de reden dat de organisatie van deze avond mij aanvankelijk uitnodigde. Ik ben politiek journalist, dagelijks in Den Haag en heb daar gezien hoe het salonfähig is geworden voor politici om onderzoeksjournalistieke onthullingen domweg te negeren.

Vorige week maakten wij het nog mee op onze burelen. Mijn economie-collega had een best opmerkelijke scoop. Hij had ontdekt de strenge bonusplafonds die in 2015 waren opgelegd aan banken scheurtjes beginnen te vertonen.

Ik ga niet alle details van dat nieuws hier helemaal uitleggen, maar waar het op neerkomt is dat ING inmiddels alweer aan deze regels ontsnapt en andere bedrijven dat op den duur ook kunnen doen. De riante bonussen kunnen spoedig weer gaan vloeien.

Op dat knap uitgezochte nieuws werd nogal lauw gereageerd. De politiek roerde zich niet, mensen in Den Haag haalden hun schouders op. Tot dat de SP er een vraag over stelde bij het vragenuurtje.

De verantwoordelijk minister stond het nogal onbewogen aan te horen, reageerde keurig zoals zijn ambtenaren hem hadden geïnstrueerd en toen hij de vraag kreeg wat hij nou precies van die onthulling, vond sprak hij de opmerkelijke woorden: ‘Ik heb dat [stuk] zelf niet kunnen lezen, want het zit achter een betaalmuur’.

Hij kwam er mee weg.

Dus die avond besloot ik hem toch maar even een appje te sturen met een PDF van het verhaal en de begeleidende tekst dat hij dat maar moest beschouwen als service van de redactie. Hij reageerde: ‘hahahahahaha’.

Het deed mij denken aan iets dat Tom-Jan Meeus in 2023 eens zei. Ik citeer: ‘Journalisten doen er gewoon minder toe. Politici hebben heel veel ruimte gewonnen van journalisten.’ Of zoals een hoofdredacteur onlangs tegen mij verzuchtte: ‘het wordt steeds makkelijker om ons te negeren’.

Het had hem doen denken aan hoe in 2009 het land nog in rep en roer was omdat vicepremier Wouter Bos een zonnebril had gedeclareerd van – houd u vast – 113 euro. Zijn partijgenoot Jet Bussemaker had als PvdA-staatssecretaris van Volksgezondheid een kaartje voor een toneelstuk over dementie gedeclareerd van 44,20 euro. Of Mark Verheijen die als provinciebestuurder in Limburg dure flessen wijn had gedeclareerd.

Zij zijn illustratief voor een politieke klasse die de pers zeer ernstig nam, vreesde zelfs. Zij wisten dat een publicatie – hoe klein of groot het schandaal ook – je politieke einde kon betekenen. Ik wil het vanavond niet precies hebben over waar de lat lag, maar wel even vaststellen dat de lat nogal is verschoven.

En hoe die lat vandaag de dag verschilt naar gelang de kleur van de politicus in kwestie. Want recent zagen we een D66’er toch afzien van haar ministerschap als gevolg van CV-fraude, maar een bijna identieke casus bij een PVV-bewindspersoon die haar scriptie bij elkaar had gefraudeerd, precies een jaar eerder had geen enkel gevolg.

Dit land komt net uit de periode Schoof en bevindt zich nog altijd in een constellatie waarbij zo’n 46 zetels flirtten met antirechtstatelijke ideeën en een deel daarvan zich weinig aantrekt van de pers. Dat weten we, het is niet nieuw, maar we moeten wel waken dat hun houding en dedain voor de journalistiek niet overslaat op andere partijen.

Zodra politici uit het brede midden doorkrijgen dat je je ervan af kunt maken door simpelweg onthullingen te negeren, valt een stilzwijgende afspraak weg die er tussen pers en politiek bestaat en die wij het liefst niet aan onszelf toegeven. En die waarheid is dat wij onze eigen relevantie in hoge mate afmeten aan hoe relevant de macht ons vindt.

Onze onthullingen doen ertoe zolang autoriteiten ervan schrikken, verkrampen of zich er op een andere manier toe verhouden.

Ik mag graag Geert Mark citeren die ooit eens heeft gezegd dat journalisten uiteindelijk spionnen van de Koning zijn. Daarmee bedoelde hij niet dat we aan hetzelfde touwtrekken en ook zeker niet dat pers en politiek bevriend moeten raken.

Maar wat Geert Mak wel bedoelde: journalisten speuren het land af, schijnen hun licht op dat wat uitgelicht moet worden, in de hoop dat machthebbers hun alarmistische berichten oppakken en serieus nemen

Een voorbeeld daarvan leen ik even van mijn vriend Thomas Muntz, de hoofdredacteur van Investico, die in een Kersttoespraak eens stilstond bij de reactie van de minister van Onderwijs op de onthulling van NOS op 3 en Investico dat DUO door discriminerende fraudecontroles onevenredig hard studenten met een migratieachtergrond aanpakte.

Toen dat nieuws, in de nadagen van het kabinet Rutte IV, wereldkundig werd gemaakt haastte minister Robbert Dijkgraaf – want over hem heb ik het – zich naar een microfoon om te zeggen dat hij het ging uitzoeken, dat hij het serieus nam en dat er een onderzoek werd ingesteld.

Vorige week was ik bij de presentatie van de Staatscommissie tegen Discriminatie en Racisme, waar een van de onderzoekers stilstond bij die DUO-onthulling. Het was inmiddels vele jaren na de journalistieke scoop, maar de reactie van de minister toen had iets ingang gezegd. Er waren daadwerkelijk onderzoeken gekomen, het werd een leidend thema voor een staatscommissie en in april van dit jaar werd bekend dat er schadevergoedingen komen voor de getroffen studenten.

Kortom: iedereen heeft zijn rol gespeeld. De journalist die van de spion, de minister die van de Koning. De journalist onthulde, de macht schrok. En een ambtenarenapparaat begon oplossingen te zoeken. In dat proces is niemand bevriend geraakt, er was zelfs niets ‘constructiefs’ aan. Het was het schoolvoorbeeld van de perfecte rollenscheiding en het dualisme tussen pers en politiek.

De ongemakkelijke vraag, ik stel hem toch maar eens: wat als Dijkgraaf niet had gereageerd? Wat als hij zijn schouders had opgehaald? Wat als hij ronduit vaag had gereageerd en daarmee het verhaal had laten liggen?

Had het dan wel bestaan? Of preciezer gezegd: had het er dan wel toegedaan?

De voorbeelden van het Haagse inzicht dat je journalistiek ook gewoon wél kunt negeren, dienen zich nu dagelijks aan. Ik geef jullie een laatste voorbeeld, een somber voorbeeld dit keer. Over het PVV-Kamerlid Maikel Boon werd in december 2024 onthult dat hij racistische AI-plaatjes maakte. Een half jaar later, vlak voor de verkiezingen gebeurde dat opnieuw en toen bleek zelfs dat hij met die AI-plaatjes ook Frans Timmermans had bewerkt en op die manier haat tegen hem opriep.

Dat werd even breaking news. De PVV’er in kwestie verstopte zich een tijdje, behield zijn Kamerzetel, was nergens te vinden in het Kamergebouw en dook vorige maand weer op. Voor de derde keer beging hij exact dezelfde fout. Dit keer had hij rechtbanktekeningen gemanipuleerd. Een slordige 12.000 woorden en vele minuten televisiezendtijd kunnen niet voorkomen dat een volksvertegenwoordiger keer op keer dezelfde actie blijft herhalen.

Hij is een extreem maar exemplarisch voorbeeld van hoe een groeiend deel van het politieke landschap geen enkele schroom voelt om journalistieke onthullingen te negeren. En de mildste vorm is die VVD-minister van Financiën die joviaal hard begint te lachen als je hem een artikel na-appt dat zogenaamd achter een betaalmuur stond.

In die verschuiving moeten wij ons nooit wanhopig afvragen of de macht zich alsjeblieft iets van ons wil aantrekken maar moeten wij ons afvragen wie onze journalistiek dan straks wél legitimeert.

Tien jaar geleden kwam ik deze vereniging binnen en zag ik hoe een vakgebied dat zich bedreigd voelde door nieuwe ontwikkelingen ontsnapte aan die somberheid en juist veel beter, interessanter en diepgravender werd. Dat kan opnieuw en dat is een hoopvolle gedachte. De vragen van nu zijn anders dan toen. Al kun je ook zeggen: het zijn in essentie dezelfde vraagstukken in een net andere verschijningsvorm. Journalisten, uitgevers en hoofdredacteuren denken na over oplossingen. Op sommige plekken zijn ze zelfs al gevonden. Ik gun ons dat we die gesprekken zo nu en dan ook hier blijven voeren, in ons eigen clubhuis – de VVOJ. Ik kijk daar in ieder geval naar uit.

“Kortweg komt die neer op de vraag of de onderzoeksjournalistiek niet stilletjes aan begint te lijden onder haar eigen succes. Iets dat ik samen zou willen vatten in de volgende paradox: wij maken steeds meer kabaal en produceren steeds knappere journalistiek, maar worden we nog wel genoeg gehoord? ”

Gerelateerde artikelen

conferentie-1x

VVOJ Conferentie 2026: De ongemakkelijke werkelijkheid

De maatschappelijke relevantie van goede onderzoeksjournalistiek is groter dan ooit, maar de randvoorwaarden blijven kwetsbaar. Tijdens de komende VVOJ Conferentie duiken we in De ongemakkelijke werkelijkheid: een eerlijke en urgente blik op de staat van ons vak.

Op vrijdag 19 juni 2026 zijn tijdens het Feest van de Onderzoeksjournalistiek in Amsterdam de VVOJ Aanmoedigingsprijs 2025 en De Loep 2025 uitgereikt. Met deze prijzen viert de Vereniging van Onderzoeksjournalisten (VVOJ) jaarlijks de beste onderzoeksjournalistiek in Nederland en Vlaanderen.

Sluit je aan bij de vereniging van onderzoeksjournalisten

En vergroot je kennis én netwerk