Parels van de Loep (7): Vissen naar subsidie

vissen naar subsidie

De Loep

Bijna honderd inzendingen, tien genomineerden, vier prijzen. In de aanloop tot de VVOJ Conferentie 2015 interviewen we de kanshebbers op een Loep over hun werk. Deze week Anne de Blok van Follow the Money over het dossier Vissen naar subsidie. Samen met collega Frederick Mansell van Brandpunt Reporter is zij voor dit dossier genomineerd voor de aanmoedigingsprijs. 

Door Annemarie Geleijnse

De eerste tekenen wezen niet op een kansrijk onderzoeksverhaal. De gedupeerde meervalkweker had veel weg van een ‘gekkie’, de hoogste rechter had zich al in zijn nadeel uitgesproken en andere, meer ervaren onderzoeksjournalisten zagen er geen verhaal in. Wat kon Anne de Blok, beginnend onderzoeksjournalist, daar nog aan toevoegen?

Anne de Blok liep stage bij Nieuwsuur toen ze van een collega een e-mail kreeg doorgestuurd van een boze meervalkweker, Coen Coumans. ‘In een onsamenhangend relaas, met veel hoofdletters, legde Coumans uit hoe hij gedupeerd zou zijn door het Europese subsidiebeleid van de overheid. Volgens hem was met dat geld ondernemer Jan van Rijsingen in het zadel geholpen, die zo als monopolist alle gevestigde meervalkwekers uit de markt drukte.’

Onsamenhangend en boos, typisch een e-mail die redacties aan zich voorbij laten gaan. Zo niet Anne de Blok. Ze pakte de telefoon en belde Coumans. ‘Hij klonk strijdvaardig en hulpeloos tegelijkertijd’, herinnert ze zich. ‘Hij was verwikkeld in een jarenlange juridische strijd tegen de overheid en vroeg of ik hem alsjeblieft kon helpen. Hij beloofde alles te kunnen onderbouwen met documenten.’

Gekkie

Het was de zomer van 2012. Van rechtbankverslagen had De Blok naar eigen zeggen (nog) geen kaas gegeten, van Europees subsidiebeleid wist ze nagenoeg niets. De Blok: ‘En Coumans klonk, met alle respect, ook een beetje als een gekkie.’ De stage van De Blok liep bovendien twee weken later af, dus tijd om dit omvangrijke dossier uit te spitten was er niet. Bovendien had de hoogste rechter zich al over de zaak uitgesproken – in het nadeel van meervalkwekers zoals Coumans. ‘Wat konden wij daar nog aan toevoegen?’ vroeg De Blok zich af.

Maar het verhaal liet haar niet los. Toen ze na haar stage bezig was met de masteropleiding Journalistiek en Media aan de Universiteit van Amsterdam besloot ze de meervalkweker op te zoeken. Ze was nieuwsgierig naar de documenten waarover hij had verteld. ‘Die feiten wilde ik dan wel eens zien.’

Aan de keukentafel in het Noord-Limburgse plaatsje Ospel werd bij de koffie een verhuisdoos vol multomappen geserveerd. De Blok: ‘E-mailcorrespondentie, brieven van advocaten, jaarverslagen, telefoonnotities, krantenartikelen, de hele mikmak. Keurig gesorteerd op datum en de belangrijke passages met felrode stift gearceerd of vergezeld van een grote hoeveelheid uitroeptekens als het echt belangrijk was.’

Stap voor stap namen ze de zaak door. Vier uur lang luisterde De Blok naar het relaas van Coumans en bekeek ze alle documenten die hij erbij haalde. ‘Mijn indruk was dat deze man misschien toch geen gekkie was. Maar ik dacht ook: als het allemaal zo helder is, waarom heeft de rechter dat dan niet gezien? En: wat vertelt Coumans mij nu allemaal níet?’

Visitekaartje

Na een rondleiding door zijn leegstaande meervalkwekerij vertrok De Blok met kilo’s papier terug naar Amsterdam. Thuis aangekomen trof ze tussen de mappen een visitekaartje aan van de collega’s van Zembla. Ze belde Coumans om te vragen of Zembla ook bezig was met dit verhaal. Hij gaf aan dat journalisten van Zembla inderdaad een paar keer bij hem waren geweest, maar besloten hadden er niets mee te doen. Wat de reden daarvan was, wist hij niet te vertellen.

De Blok twijfelde opnieuw of ze wel door moest gaan. ‘Als Zembla er al geen verhaal in zag, wat moest ik – 23 jaar en net begonnen aan de opleiding Journalistiek – er dan nog van maken?’

Ze besloot een centrale onderzoeksvraag te formuleren en daarmee zelf te kijken of er wel of geen verhaal in zat. ‘Is er met subsidiegeld een monopolist (Jan van Rijsingen) in het zadel geholpen die bestaande meervalkwekers uit de markt heeft gedrukt?’

Ze scande alle documenten, ordende ze op soort en maakte een chronologisch overzicht van de gebeurtenissen. Ze zocht meermaals de advocaat van de meervalkweker op met de vraag hoe deze documenten te interpreteren. Ook sprak ze met andere meervalkwekers die failliet waren gegaan. De Blok: ‘De meesten van hen bewonderden Coumans’ strijdbaarheid, maar vonden ook dat hij deze geschiedenis achter zich moest laten. Een enkeling wilde om die reden dan ook niet met mij spreken, de zaak had al genoeg energie gekost.’

Op zoek naar tegenspraak

Dat waren de voor de hand liggende bronnen, concludeerde ze. ‘Bronnen die het meest geneigd waren om Coumans gelijk te geven. Ik was op zoek naar tegenspraak. Een andere blik op de zaak. Of op z’n minst een bron die niet hetzelfde belang had als de meervalkwekers.’

Voordat ze Van Rijsingen zelf benaderde, besloot ze wat telefoontjes te plegen in de periferie van de kweekvisindustrie: voerleveranciers, visverwerkingsbedrijven, retailers, et cetera. De Blok: ‘Zij kenden zowel de door de overheid gesubsidieerde Van Rijsingen, als alle andere meervalkwekers. Als er een vuil spel was gespeeld, hadden zij het gezien.’

Inderdaad leverden deze gesprekken interessante informatie op over de werkwijze van Van Rijsingen, die veelal omschreven werd als een vriendelijke doch berekenende man met een goed netwerk in ‘het Haagse’. Er werden vraagtekens gezet bij de wijze waarop de subsidie was verkregen, maar ook bij de haalbaarheid van het oorspronkelijke projectplan van Van Rijsingen: het opzetten van een tilapiakwekerij. Een retailer: ‘Tilapia wordt spotgoedkoop ingevlogen vanuit Azië, daar kan kweken op eigen land niet tegenop. Waarom de overheid daar dan toch geld aan uitgeeft, is mij een raadsel.’

Wob

De Blok besloot de focus van haar onderzoek te verleggen en formuleerde een nieuwe onderzoeksvraag: ‘Op welke wijze heeft de ondernemer subsidie verkregen en hoe was de toezicht van de Nederlandse overheid daarop?’

Om deze vraag te beantwoorden, had ze inzage nodig in de projectdocumenten: de subsidieaanvraag, het projectplan, de beslissing tot subsidieverlening, de voortgangsrapportages, het eindoordeel, et cetera. Ze gebruikte de Wob-expertise die ze tijdens een tweede stage bij RTL Nieuws had opgedaan om de benodigde documenten op te vragen bij het ministerie van Infrastructuur en Milieu.

Het was januari 2014, De Blok werkte inmiddels bij Follow the Money.

Na twee keer 28 dagen (de wettelijke maximale Wob-termijn) kreeg ze opnieuw een multomap met de projectdocumenten thuisgestuurd. De subsidieaanvraag was ambitieus opgezet. Van Rijsingen wilde – om te beginnen – vijf veehouderijen ombouwen tot tilapiakwekerijen. Tilapia werd daarbij geclassificeerd als de meest kansrijke vissoort.

De Blok stuurde de persvoorlichter van het ministerie van I&M een eerste e-mail met een ogenschijnlijk onschuldige vraag: ‘Uit welk onderzoek blijkt dat tilapia de meest kansrijke vissoort zou zijn?’ Antwoord: ‘Voor de regeling was geen eis gesteld dat de subsidieaanvraag vergezeld moest gaan van een apart marktanalyserapport.’

Dat was op z’n minst vreemd, vond De Blok. ‘Er werd blijkbaar 3,2 miljoen subsidie verstrekt voor een project waarvan niemand wist of het enige kans van slagen had.’

Ogenschijnlijk onschuldig

Ze onderzocht de voortgangsrapportages, opgesteld door de subsidieaanvrager zelf en kreeg de indruk dat er gegoocheld was met de productieaantallen. Opnieuw stuurde ze de persvoorlichter een ogenschijnlijk onschuldige vraag: ‘Hoeveel tilapia is er daadwerkelijk gekweekt in de tilapiakwekerijen?’ Antwoord: ‘Hoeveel tilapia er daadwerkelijk gekweekt is, hoefde de begunstigde niet te rapporteren.’

Via LinkedIn had De Blok inmiddels een aantal oud-werknemers van Van Rijsingen gevonden. ‘Zij konden zich de productieaantallen wellicht nog herinneren. Ze wilden niet met mij praten, dus vroeg ik ze of ze mijn bevindingen enkel wilden bevestigen of ontkrachten. Dat wilden ze wel. En wat bleek: de productieaantallen die Van Rijsingen in de voortgangsrapportages had gezet, werden in de praktijk nooit gehaald. Om dit dubbel te checken belde ik het visverwerkingsbedrijf waar de tilapia werd gefileerd. Ook zij hadden nooit 2.000 ton tilapia voorbij zien komen.’

Het ging kortom minder goed met de tilapiakwekerijen van Van Rijsingen dan hij het ministerie voorspiegelde. Uit het jaarverslag dat De Blok via de Kamer van Koophandel had opgevraagd, bleek dat het negatief eigen vermogen van Van Rijsingen steeg van 1,3 miljoen in 2005 naar 3,6 miljoen in 2006. Desondanks kreeg hij in 2007 opnieuw geld van het ministerie om een derde kwekerij te bouwen. Maar vreemd genoeg wist niemand echter waar die stond. Opnieuw stelde De Blok een ogenschijnlijk onschuldige vraag aan de persvoorlichter: ‘Kunt u mij vertellen wat de naam en locatie is van de derde kwekerij?’ Antwoord: ‘Uit de rapportages kunnen we niet achterhalen wat de naam of locatie is van het derde bedrijf.’

De derde kwekerij bleek uiteindelijk een uitbouw van de tweede kwekerij te zijn en feitelijk dus niet te bestaan. Bovendien werd deze uitbouw nooit gebruikt voor het kweken van tilapia, maar voor het kweken van een meervalsoort. En daar was het geld niet voor bedoeld…

Door de oprichtingsakte van de tilapiakwekerij nader te bestuderen, kwam De Blok er achter dat er in het jaar dat de tilapiakwekerij omschakelde naar meerval, iemand uit de onderneming was gestapt. Deze persoon bevestigde dat ‘zaken niet helemaal netjes waren gelopen’. Inmiddels was het Europees antifraudebureau OLAF bezig de subsidie terug te vorderen bij de Nederlandse overheid.

Foto

Toen bleef er voor de jonge onderzoeksjournalist nog een vraag over: hoe werd deze subsidie toegekend? Een foto die ze vond van Van Rijsingen met een topambtenaar van de directie Visserij wekte haar nieuwsgierigheid. ‘Was dat wat mijn bronnen bedoelden met ‘een goed Haagse netwerk’? Van Rijsingen bleek uiteindelijk zitting te hebben gehad in een commissie die indirect over zijn subsidieaanvraag ging. De ambtenaar die de handtekening onder het voorstel moest zetten, was de andere man op de foto.’

Het verhaal was rond, concludeerde De Blok. ‘Het bleek een klassiek voorbeeld van waar beleid faalt en macht ontspoort – de slagzin van Brandpunt Reporter. Ik pitchte het verhaal bij toenmalig eindredacteur Bart Nijpels, die ik in 2013 had ontmoet op een VVOJ-conferentie. Frederick Mansell werd vanuit HUMAN gedetacheerd. Hij maakte er spannende televisie van, wat ik gezien de complexe materie nog steeds een prestatie van formaat vind.’ Samen wisten ze in zes weken tijd het verhaal scherp te slijpen. Van Rijsingen werd gevraagd om wederhoor, maar besloot – op advies van zijn advocaat – niet mee te werken aan de uitzending.

Bij het ministerie gingen opeens alle deuren dicht, merkte De Blok. ‘De persvoorlichter die aanvankelijk antwoord gaf op al mijn ‘onschuldige’ vragen, kreeg een paar weken voor de uitzending een lijst met alle tegenstrijdigheden die we hadden aangetroffen in de projectdocumenten. Hij gaf geen antwoord op ons verzoek tot een verklaring. Achteraf bleek het een gouden greep dat ik eerder al wat vragen op hem had afgevuurd, want zijn antwoorden lieten zien dat er van controle nauwelijks sprake was. Dit heeft me geleerd me meer bewust te worden van de strategische stappen die je zet tijdens je onderzoek. Onderzoeksjournalistiek is soms een schaakspel.’

De uitzending leidde tot Kamervragen. Coumans heeft een nieuwe advocaat gezocht en is bezig de zaak te heropenen. Hij houdt De Blok nog steeds nauwkeurig op de hoogte.

Kijk hier naar de uitzending van Vissen naar subsidie van Brandpunt Reporter.

Dit verhaal is een voorpublicatie uit het VVOJ Jaarboek 2015, dat wordt gepresenteerd op 20 november, tijdens de VVOJ Conferentie 2015 in Den Haag.