Justitie hield cruciaal bewijs achter in Schiedammer Parkmoord

Jaarboek

Overzicht Jaarboek 2006

cover2006Vier jaar lang zat Kees B. onschuldig in de gevangenis voor de Schiedammer Parkmoord. Al voor zijn veroordeling wist Justitie dat hij onschuldig was. Op 5 september 2005 onthult Netwerk het voor Kees B. ontlastend DNA-onderzoek dat Justitie tot dat moment bewust achter hield. Het onderzoek werd geheimgehouden door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI), door de officier van justitie, door de advocaat-generaal en door het college van procureurs-generaal, terwijl ook nog eens honderden justitiemedewerkers van het bestaan ervan op de hoogte waren.

*KRO Netwerk, 5 september 2005*
Door Bas Haan

Kees B. werd door de rechtbank en door het gerechtshof tot achttien jaar cel en TBS veroordeeld voor de moord op de tienjarige Nienke Kleiss in juni 2000. De Hoge Raad bevestigde dat vonnis en verwierp ook een herzieningsverzoek in de zaak. Kees B. kwam pas vrij nadat in de zomer van 2004 de werkelijke dader spontaan de misdaad opbiechtte. De werkelijke dader maakte in de periode dat Kees B. ten onrechte vast zat, twee nieuwe slachtoffers.
Al die tijd beschikte Justitie over het bewijs dat Kees B. onschuldig was: namelijk over DNA-materiaal dat onmogelijk van hem kon zijn en dat werd aangetroffen op het vermoorde meisje en op drie plaatsen op de schoenveter waarmee ze gewurgd werd.

De advocaat van Kees B. en de rechters kregen de stukken nooit te zien, maar het openbaar ministerie kreeg ze al vijf jaar geleden. Het NFI informeerde het openbaar ministerie uitgebreid over het DNA-bewijs en over de ontlastende betekenis ervan, vóórdat het OM achttien jaar cel en TBS eiste.
Over het DNA dat op drie plaatsen op het moordwapen werd aangetroffen, werd tijdens de zitting niets vermeld. Advocaat-generaal Renckens ontkende tijdens haar requisitoir zelfs expliciet het bestaan ervan.
Harrie Timmerman, voormalig politiepsycholoog van het Groningse cold-caseteam, vertelt in Netwerk over de interne, vertrouwelijke justitiepresentatie die hij bijwoonde op het moment dat Kees B. nog als dader vast zit. Timmerman: ‘In die presentatie wordt verteld dat Kees B. de dader niet kan zijn. Dan ben je verbijsterd.’

Voor de uitzending vroeg Netwerk het OM en het ministerie om een reactie op onze bevindingen. De advocaat-generaal die in de rechtszaal over het achtergehouden bewijs een onjuiste verklaring aflegde, liet ons toen via een woordvoerder weten: ‘De strafzaak tegen Kees B. is wat ons betreft afgedaan, dus zij heeft geen behoefte om hier nog op te reageren.’
Een woordvoerder van het ministerie van Justitie gaf ons toen te kennen: ‘Dit is een individuele zaak, daar gaat het departement niet op reageren.’

De uitzending en de follow-ups zijn te bekijken op de site van Netwerk, , waar een dossier over de affaire bestaat.
De directe link naar de eerste uitzending.

TOELICHTING
Het voordeel van waterdicht bewijs

In de Schiedammer Parkmoord houdt Justitie bewust bewijs achter dat de onschuld van de verdachte en later veroordeelde Kees B. aantoont. Omdat Justitie dat doet, wordt Kees B veroordeeld tot achttien jaar en TBS voor de moord op Nienke Kleiss in 2000. Hij komt na viereneenhalf jaar vrij omdat de echte dader spontaan bekent. Al voor die bekentenis van de echte dader (zomer 2004), weet Netwerk van het achtergehouden bewijs dat de onschuld van Kees B. kan aantonen. Verslaggever Bas de Haan besluit de schokkende handelwijze van Justitie pas naar buiten te brengen op het moment dat hij keihard bewijs in handen heeft.

Door Bas Haan

Vanaf de winter van 2003/2004 voer ik tientallen achtergrondgesprekken met parketmedewerkers, rechercheurs, advocaten en wetenschappers met als centrale onderwerp: de zorg dat het openbaar ministerie (OM) steeds meer aan crime-fighting doet en daarbij steeds vaker haar onafhankelijke positie van magistraat uit het oog verliest. De zorg voor die gevaarlijke ontwikkeling leeft bij iedereen die ik spreek, maar concrete voorbeelden zijn meestal te ingewikkeld of te klein voor een televisiereportage.

Bij al die gesprekken staat een essentieel journalistiek uitgangspunt voorop: schend nooit, maar dan ook nooit iemands vertrouwen. Als je vertrouwelijkheid toezegt, houd je je daaraan. En: het primaire doel moet niet zijn om vooronderstellingen bevestigd te krijgen, maar om met oprechte interesse naar je gesprekspartner te luisteren. Op het moment dat je oprecht geïnteresseerd bent in de mensen die je spreekt, en die mensen weten dat ze in absolute vertrouwelijkheid met je kunnen praten, dan kom je uiteindelijk altijd op een verhaal. Soms een verhaal dat je vermoedde, soms op een heel ander verhaal en soms, zoals in dit geval, op een verhaal dat nog groter was dan je had kunnen vermoeden.

Het is de basis voor ieder journalistiek onderzoek: oprechte interesse en vertrouwen. Uiteraard is het daarbij cruciaal om nooit te vergeten dat iedereen met wie je praat ook een eigen belang heeft om informatie te geven. Alle informatie, en zeker die informatie die je in vertrouwelijke gesprekken krijgt, moet onafhankelijk te bevestigen zijn. Zoniet, dat is het hooguit te gebruiken als richtlijn voor verder onderzoek, maar nooit als publiceerbaar feit.

Doorbraak
Begin 2004 komt er een doorbraak in het onderzoek waarmee ik dan een paar maanden bezig ben. Het startpunt waar ik me twee jaar lang aan vasthoud en dat de basis van het verhaal zal zijn en zal blijven, is een gesprek met een justitiemedewerker. Hij vertelt me dat hij net een cursus van een onderzoeker van het Nederland Forensisch Instituut (NFI) heeft gevolgd met een ongelooflijke boodschap. Tijdens die cursus legt de NFI-er uit dat hij in het onderzoek naar de Schiedammer Parkmoord DNA-sporen heeft gevonden op het moordwapen – de schoenveter waarmee het meisje gewurgd is – en op het naakte lichaam van het meisje. DNA-sporen van vermoedelijk één en dezelfde man, maar honderd procent zeker niet van Kees B. Die DNA-sporen worden door justitie geheim gehouden. DNA-sporen die de onschuld van Kees B. aantonen, maar die de rechters en de advocaten van Kees B. nooit te zien hebben gekregen. Het is een verhaal dat bevestigd wordt door andere cursisten – al durft niemand het on the record te vertellen. Tientallen (uiteindelijk blijken het zelfs meer dan driehonderd justitiemedewerkers te zijn die de cursus gevolgd hebben) officieren van justitie en advocaten-generaal krijgen dit verhaal te horen en doen niets met de informatie. Honderden OM’ers zwijgen over het achtergehouden bewijs, terwijl de onschuldige Kees B. achter de tralies zit en daar – zoals het er dan uitziet – nooit meer achter vandaan zal komen.

Kees B. blijft achter de tralies, terwijl Justitie het bewijs voor zijn onschuld in handen heeft lang voordat hij veroordeeld wordt.

Dit is in de kern van het nieuws dat Netwerk op 5 september 2005 onthult en dat leidt tot een schok van verontwaardiging en ongeloof. Justitie is immers het enige orgaan dat inbreuk mag maken op de persoonlijke vrijheid van een individu. De officier van justitie staat bij die rechtshandhaving aan de leiding – het is een magistraat die aan waarheidsvinding doet. Waarheidsvinding, en dus is het achterhouden van ontlastend bewijs uitgesloten. Dat gebeurt niet in Nederland!

Wetenschappers en advocaten waarschuwen er al sinds de jaren negentig voor dat dit blinde vertrouwen onterecht is. Maar sinds 5 september 2005, als Netwerk de reportage over de Schiedammer Parkmoord uitzendt, weet iedere gewone televisiekijker het ook.

Vanaf de eerste dag dat ik me begin bezig te houden met de handelwijze van het OM in de Schiedammer Parkmoord, is het grote probleem: hoe krijg ik dit verhaal hard. Ik weet dat ik het hele justitieapparaat over me heen krijg als ik naar buiten breng dat het OM bewust bewijs achterhoudt. Het bewijs voor het verhaal moet waterdicht zijn. Ik moet het achtergehouden DNA-bewijs zelf in handen zien te krijgen.

Partner in crime
Een van de cursisten laat me in het voorjaar van 2004 kopieën van de NFI-presentatie zien: de originele DNA-resultaten. Ik krijg ze niet mee, maar kan de gegevens overschrijven. Op dat moment kom ik voor een journalistiek lastige beslissing te staan. Ik heb via-via inzage gekregen in het achtergehouden bewijs, maar heb het niet in handen. Dat is te weinig om het verhaal te maken. Maar zou ik – met de kennis die ik heb – naar derden stappen om hun mening te vragen, dan zou het verhaal op straat kunnen komen te liggen nog voordat ik erover publiceer. Justitie om commentaar vragen is op dat moment uitgesloten. Ik heb de informatie immers via-via verkregen.

Ik neem uiteindelijk het besluit om de advocaat van Kees B. in vertrouwen te nemen, in de hoop via hem de stukken te kunnen opvragen. Hij is procespartij in de zaak en kan dus een verzoek indienen tot inzage in onderliggende bewijsstukken. Als journalist kan ik zo’n verzoek bij Justitie niet doen. En een WOB-procedure is zinloos: stukken uit strafdossiers zijn daarvan uitgesloten.

Advocaat Taekema heeft uiteraard groot belang bij de informatie en vraagt de stukken via het college van procureurs-generaal op. Het verzoek wordt geweigerd om twee formele redenen. Ten eerste: Kees B. is nu eenmaal onherroepelijk veroordeeld en het dossier is derhalve gesloten. Ten tweede: privacygegevens van betrokkenen dienen beschermd te worden. Later zou blijken dat de top van OM hiermee de privacy van maar één persoon bewaakt: die van de echte dader.

Taekema wil de stukken alsnog in zijn bezit krijgen door een kort geding tegen de staat aan te spannen. Maar net als hij het kort geding wil indienen, neemt de zaak een verrassende wending: het bericht komt naar buiten dat Wik H. de moord op Nienke Kleiss bekent. (Netwerk onthulde overigens twee maanden na de eerste uitzending op 5 september dat Justitie had geprobeerd dit nieuws uit de publiciteit te houden.)

Check dubbelcheck
Mijn onderzoek lijkt op dat moment dood te lopen: Taekema heeft geen direct belang meer bij de onderliggende dossiers en al mijn vertrouwelijke contacten die ik dan spreek, verwachten dat met de bekentenis van Wik H. al snel het hele verhaal, inclusief het achtergehouden bewijs, op straat komt te liggen.

Maar dat gebeurt niet.

In december 2004 komt Kees B. vrij. Justitie verschuilt zich achter ‘nieuwe technieken’ van het NFI en stelt dat het er niets aan kon doen dat eerder een onschuldige man voor de moord veroordeeld werd. Hij had immers bekend. Wel stelt het OM een onderzoekscommissie in, de commissie Posthumus, die moet onderzoeken hoe het kon dat een onschuldige man veroordeeld werd. Maar tegelijkertijd stelt het OM dus al bij voorbaat vast dat het OM geen blaam treft en dat Kees B. het eigenlijk aan zichzelf te wijten heeft dat hij veroordeeld kon worden.

De stellingname van het OM is des te schrijnender omdat dan al maandenlang de NFI-cursus gegeven wordt, waaruit klip en klaar blijkt dat het OM wel degelijk weet dat het ernaast zit in de zaak.

Om het verhaal alsnog hard te krijgen, ga ik opnieuw met al mijn vertrouwelijke bronnen spreken. En dan geeft de cursist die me al in 2003 de presentatiesheets liet zien, de sheets nu zelf mee. Ik heb het bewijs in handen.

Inmiddels hebben meer dan vijf verschillende justitiemedewerkers me het identieke verhaal verteld hoe op die NFI-cursussen uitgelegd wordt dat Kees B. het niet gedaan kan hebben. Over de waarheid van het verhaal heb ik geen enkele twijfel meer en dankzij het bezit van de sheets komt het onderzoek in een stroomversnelling. Eerst moet ik bevestigd zien te krijgen dat de stukken die ik in handen heb echt zijn. De NFI-onderzoeker die de cursussen gaf, geeft die bevestiging: hij kan en mag inhoudelijk niet op de zaak zelf ingaan, maar hij bevestigt me dat de documenten echt zijn; dat hij ze in zijn cursussen vanaf het allereerste begin gebruikt; en dat ze bij het OM bekend waren vóórdat Kees B. terechtstond.

Vervolgens laat Netwerk een Engels DNA-laboratorium de gegevens analyseren met als resultaat een onafhankelijk rapport dat bevestigt dat het geheime DNA-materiaal de onschuld van Kees B. aantoont. Daarmee is het verhaal rond. We kunnen het brengen. Het enige probleem dat dan nog rest is een praktisch probleem: wie gaat het vertellen? Ik spreek nog een keer met al mijn vertrouwelijke bronnen en dan besluit een van de cursisten, politiepsycholoog Harrie Timmerman, dat hij het verhaal van de NFI-cursus voor de camera wil herhalen. Het verhaal is rond.

De inhoud ervan is voor iedereen schokkend. Niet alleen voor de gewone burger, ook voor advocaten, officieren van justitie die hun werk wel naar eer en geweten doen, en voor rechters die zich belazerd voelen. Het vertrouwen in de rechtsstaat is geschonden, door toedoen van Justitie zelf.

Collega-journalisten van kranten en televisierubrieken plaatsen het nieuws in de eerste week na de berichtgeving dagen achter elkaar op de voorpagina’s en in de opening van de uitzending. Ondanks hardnekkige ontkenningen van justitie gaat iedereen uit van de juistheid van de berichtgeving van Netwerk. NRC Handelsblad en de Volkskrant verklaren in hun hoofdredactionele commentaren dat ondanks ontkenningen wel degelijk geconcludeerd moet worden dat Justitie bewust bewijs achterhield.

Verhaal zonder omhaal
Het gemak waarmee de collega-journalisten het verhaal overnemen, wordt ook versterkt door de wijze van berichtgeving. Want een van de redenen waarom het verhaal zo’n impact heeft, is de stelligheid waarmee het gebracht kan worden. Het verhaal hoeft niet toegeschreven te worden aan anonieme bronnen. De vaak in primeurs voorkomende woorden ‘aldus’ of ‘het zou zo zijn’ of ‘volgens die en die’ of ‘bevestigen ons bronnen rond het onderzoek’ komen in de reportage niet voor. We kunnen alles brengen als feiten. We hebben de achtergehouden DNA-gegevens; de bevestiging van de onderzoeker dat ze echt zijn en een onafhankelijke analyse van de betekenis ervan. Bovendien plaatsen we alle relevante documenten voor iedereen toegankelijk op internet.

Een week na de onthullingen komt de commissie Posthumus vervroegd met de resultaten van het interne OM-onderzoek naar de Schiedammer Parkmoord naar buiten. Een direct gevolg van de Netwerk-uitzending is niet alleen dat het rapport versneld naar buiten komt. Belangrijker is dat door de Netwerk-uitzending de inhoud van het rapport, dat al in conceptversie klaar was, wordt aangepast.

In de week na de uitzending heeft de commissie Posthumus in alle haast opnieuw gesprekken met de betrokkenen uit het dossier en wordt het hoofdstuk over het DNA-bewijs uitgebreid. Het aangepaste rapport is in alles een bevestiging van de Netwerk-uitzending. In het Kamerdebat dat erop volgt moet minister Donner diep door het stof. Een grote hoeveelheid maatregelen om de onafhankelijkheid van de opsporing te garanderen wordt aangekondigd. Die vergaande maatregelen, het zogenoemde verbeterplan, zullen de werkwijze van het OM en het NFI in grote zaken drastisch veranderen en zullen de komende jaren worden doorgevoerd.

Met die maatregelen wint de minister het vertrouwen van de Kamer en hij overleeft een motie van wantrouwen.

Niet niet waar
Ondertussen houdt de minister wel stug vol dat er niet gelogen of te kwader trouw gehandeld is door mensen van het OM. Dat leidt in de maanden na het eerste Kamerdebat tot tal van debatten en Kamervragen met in mei 2006 een bizar eindresultaat: De PvdA dient een motie in waarin wordt gesteld dat de minister ten onrechte volhoudt dat er geen DNA-sporen zijn achterhouden. Die motie wordt aangenomen: wat de Kamer betreft staat het dus vast dat de minister ernaast zit met zijn ontkenningen. De minister accepteert die motie maar neemt zijn woorden niet terug. En daar blijft het bij. De Kamer gaat over, zoals dat heet, tot de orde van de dag.

Ook in de rechtszaal eindigt de zaak uniek. De herzieningszaak tegen Kees B., formeel nog steeds veroordeeld, wordt afgeblazen. Het OM wordt in mei 2006 niet-ontvankelijk verklaard door het hof in Amsterdam. Dat betekent dat de eerdere veroordeling vernietigd wordt, en dat een vrijspraak door het hof niet nodig is. Hiermee komt het hof in Amsterdam terug op haar eerdere besluit om alle hoofdrolspelers onder ede in de rechtszaal te horen.

Hiermee ontlopen officier van justitie Edelhauser en advocaat-generaal Renckens het afleggen van publiekelijke verantwoording voor hun handelwijze in de Schiedammer Parkmoord. Tenzij ze strafrechtelijk vervolgd worden. Er loopt nog een rijksrechercheonderzoek tegen hen, naar aanleiding van een strafklacht ingediend door advocaat Taekema en zijn collega Spong. De vraag is of de officier van justitie, die het onderzoek naar zijn eigen collega’s leidt, ze wel zal durven te vervolgen nadat de hoogste baas van het Openbaar Ministerie, én de minister, het kennelijk niet nodig hebben gevonden de handelwijze van deze twee functionarissen ter discussie te stellen.

Moed wordt bestraft
Ondertussen is officier van justitie Edelhauser, die bij de rechtbank het bewijs achterhield, gepromoveerd tot advocaat-generaal. Advocaat-generaal Renckens, die nog een stap verder ging en bij het hof leugenachtig over het bewijs verklaarde, heeft haar baan behouden. En ook de rechercheurs die Kees B. een valse bekentenis afdwongen zijn nog aan het werk.

De enige die is ontslagen – naar aanleiding van een voorgesprek met Netwerk waarover hij zelf zijn korpsleiding inlichtte – is Harrie Timmerman, de politiepsycholoog die als enige van de cursisten uiteindelijk wel op camera zijn verhaal durfde te doen. Zijn collega Dick Gosewehr, die ook bij het eerste voorgesprek aanwezig was, is gedegradeerd.

Of de autoriteiten van deze zaak hebben geleerd is de vraag. In de ogen van de minister Donner en zijn partijgenoten zijn het ‘de media’ die het hebben gedaan. Het CDA-Tweede Kamerlid Haersma-Buma sprak me in de pauze van het Kamerdebat over de Schiedammer Parkmoord aan en stelde me letterlijk de vraag: ‘Weet u wel hoeveel schade Netwerk met die uitzending heeft toegebracht aan het vertrouwen in de rechtsstaat?’ Niet de liegende OM’ers, maar Netwerk was onverantwoord bezig geweest, aldus het Kamerlid.

En toen ik minister Donner na een van de vele vervolgdebatten aansprak en hem een vraag wilde stellen, weigerde hij – zichtbaar boos – met de woorden: ‘Ik ga u geen vragen beantwoorden. U bent met uw knip- en plakwerk de travestie van de journalistiek.’

Een betere motivering om door te gaan met onderzoeksjournalistiek is nauwelijks denkbaar.