Conferentie, Kenniscentrum

Wallage: zelfkritiek journalisten noodzakelijk

VVOJ Nederlands-Vlaamse conferentie onderzoeksjournalistiek 2007 Groningen

Klik hier voor meer meer conferentieverslagen.

Spreker: Jacques Wallage, burgemeester van Groningen

Datum en tijd: 16 november 2007, 19:00 uur

Spreek ik hier vandaag voor een bedreigde diersoort of is er onder de huidige marktcondities nog perspectief voor uw professie? Dat is de kernvraag die ik wil trachten te beantwoorden. Luisterend naar het co-referaat van Joris Luyendijk bij de van der Leeuw-lezing van Seymour Hersh, hier in Groningen, zou je bijna denken dat u in Nederland en Vlaanderen al uitgestorven bent. Maar daarvoor bent u hier vandaag toch net met iets te veel mensen en ziet u er ook nog iets te vitaal en geëngageerd uit.

In 2002 is er bij de oprichting van uw vereniging onderzoek gedaan naar de onderzoeksjournalistiek in Nederland en Vlaanderen. Er bleek een groep van 350 journalisten te zijn die van tijd tot tijd een flinke onderzoeksklus deden. Van deze groep wordt ongeveer een kwart door hun werkgever volledig vrijgesteld voor dit werk.

Waarbij overigens een markant verschil zichtbaar werd tussen Nederland en Vlaanderen: tegen 87 voltijd onderzoeksjournalisten in ons land stond er slechts één in Vlaanderen.

Ik geloof dat er uiteindelijk in China minder reuzenpanda’s waren dan hier vandaag onderzoeksjournalisten zijn verzameld. En die panda’s lijken het ook te redden…

Laat mij eerst iets zeggen over die marktontwikkelingen. De gangbare benadering van die zakelijke realiteit ziet er ongeveer als volgt uit: er zijn te veel media en er is te weinig nieuws.

Door de opkomst van internet en nieuwe steeds snellere technologie staan oplagen, kijkcijfers en advertentie-inkomsten onder druk. Dat heeft ook te maken met gratis kranten en een voorkeur voor kijken boven lezen.

Dit geheel maakt dat de serieuze journalistiek steeds meer de hete adem van de commercie in de nek voelt. Dan wordt gesproken over amusementjournalistiek. Het is het beeld van de hype van de dag en ‘de leugen regeert’.

In die context – zo redeneert menig beoordelaar van media en journalistiek – komt er steeds minder ruimte voor serieuze beoefening van het vak, voor hoor en wederhoor, voor eigen onderzoek. Dan dringen begrippen als ‘hijgerigheid’, dominantie van de actualiteit, meer belangstelling voor personen dan voor ideeën, zich op.

Het is de wereld van het uitvergrote detail, van de opgeblazen kop in de krant, van de opgewonden aankeiler op de tv. Er doemt een werkelijkheid op waarin kranten er simpelweg minder toe doen en nieuws alleen nog verteerbaar is wanneer het een hoog amusementsgehalte heeft. Dan wint het praatprogramma het van de onderzoeksjournalistiek.

Bijna alle media lijden onder de opkomst van internet en de technologische versnelling bij het verspreiden van informatie. Zeker als die informatie vanuit die drager onderweg draadloos en gratis kan worden geraadpleegd.

De cijfers die Pieter Broertjes als voorzitter van het Nederlands Genootschap van Hoofdredacteuren in 2005 produceerde logen er niet om.

‘Internet en televisie hebben de positie van de krant overgenomen. Had in 1993 slechts drie procent van alle huishoudens een internetaansluiting, in 2004 was dat percentage opgelopen tot 74 procent. […]. De opkomst van de internetgeneratie heeft verregaande gevolgen voor ons, de traditionele nieuwsbrengers.’

‘Hun vertegenwoordigers lezen minder betaalde kranten en kijken minder televisie. In 1975 las van de 12- tot 20-jarigen nog zestig procent een krant, in 2000 nog slechts krappe twintig procent Een afname van vijfenzestig procent.’

De commerciële houdgreep waarin serieuze media vervolgens terechtkomen, verklaart het gebrek aan ruimte voor dieper gravende journalistiek wel, of tenminste de toegenomen ad hoc oriëntatie – de belangstelling voor de korte baan.

De objecten van veel journalistieke arbeid – politici, bestuurders van overheid en bedrijfsleven – deinen in deze ruwe zee mee. Dan ontstaat wat ik in mijn openbare les bij de Hogeschool Utrecht noemde ‘de fatale wisselwerking’.

Politici gaan eenregelig praten en trekken de aandacht met steeds extremere teksten. Dan krijgt elk opgewonden nieuwsmedium de mannetjesmaker die het verdient.

In de woorden van SGP-Kamerlid Van der Staaij: ‘Wij zijn bezig om ons parlement om te vormen in een politiek café waar elke avond met een minimum aan kennis en een maximum aan stemmingmakerij de hype van de dag wordt gevoed.’

Dan is er naar het woord van Elchardus niet alleen sprake van een dramademocratie, maar wordt ook de koningin der aarde een dramakoningin.

Als deze pessimistische kijk op een gebrek aan diepgang in de media klopt, dan zitten de zondaars kennelijk niet alleen daar, maar zeker ook op de departementen en in de Kamer… Om over stadhuizen maar te zwijgen…

En dan worden uiteindelijk communicatiemedewerkers van departementen hackers en het beroep ‘journalist’ wordt niet meer gekoppeld aan een beroepscode, maar aan het simpele adagium ‘het doel heiligt de middelen.’

Het zou me geen moeite kosten vandaag op deze forse golven een tijdje te surfen. Maar de werkelijkheid is complexer, genuanceerder en in elk geval multi-interpretabel.

Zoveel is zeker: de serieuze kranten staan – met uitzondering van het Financieel Dagblad – allemaal onder druk.

In het tweede kwartaal van 2007 verloor NRC Handelsblad 4,7 procent en de Volkskrant 3,2 procent. Trouw bleef stabiel, terwijl NRC Next bleef stijgen. De oplagen van de Telegraaf en het Algemeen Dagblad daalden evenzeer – laatsgenoemde zelfs voor het vijfdeachtereenvolgende kwartaal.

De gratis kranten rukken op, de populaire nog iets meer dan de serieuze. Het Parool bleef stabiel. Alle weekbladen incasseerden een forse terugloop.

Er is waarschijnlijk ook wel sprake van enige kannibalisme, waarbij binnen hetzelfde concern de gratis kranten de serieuze varianten deels opeten. Dat houdt dan de advertentiewinst van dat concern behoorlijk in balans, maar in kolommen nieuws en analyse scheelt het een slok op een borrel.

Meestal wordt dit type cijfers gebruikt om de oprukkende internetcommunicatie te illustreren: kijk maar hoe hard het gaat met de gedrukte en betaalde media. Toch ontneemt die wat makkelijke optelsom ons het zicht op een meerdimensionale werkelijkheid.

De informatie-explosie vraagt meer dan ooit om een professionele journalistieke bewerking van het nieuws: analyse, duiding. Het gaat niet alleen om de feiten, maar ook en vooral om een interessante kijk op die feiten.

Juist onderzoeksjournalistiek biedt meer dan de simpele vermelding van de informatie. Je zou kunnen zeggen: de krant wordt minder relevant als hij informatie bevat, die de gebruiker van internet zelf moeiteloos van het net kan plukken. Het is niet òf de krant òf het web, het kan onder hele specifieke condities én-én zijn.

Het zou voor de toekomst van de gedrukte pers wel eens van groot belang kunnen zijn dat het debat over de toegevoegde waarde van de journalistiek wat meer gevoerd wordt. Naarmate het hete nieuws via e-mail alert op elke multifunctionele telefoon voortdurend binnenloopt, zijn de krant en de goed voorbereide televisie-uitzending per definitie te laat.

Maar deze onbeperkte stroom informatie – ooit noemde ik dit ‘breaking news als way of living’ – vraagt als het ware om een contrapunt. Dat is de gestructureerde gedachtewisseling, de grondige analyse, een ordening van de feiten, die tot nieuw inzicht leidt.

Ironisch is dat veel geruchtmakende onderzoeksjournalistiek na publicatie in diezelfde vluchtige maalstroom terechtkomt als de eenregelige uitspraken, de koppensnellers, de kortademigheid die media en politiek lijken te beheersen.

Kamerleden geven een reactie, er worden vragen gesteld, een hoofdredactioneel commentaar wordt geschreven, de minister zegt een onderzoek toe en we gaan op weg naar de ochtendkrant, een korte nieuwsflits, en dan is de volgende vuurpijl alweer verschenen.

Het zou voor de positie van onderzoeksjournalistiek heel wat schelen als Kamer en kabinet eraan zouden wennen op grondig onderzoek ook grondig te reageren. En het zou helpen als hoofdredacties de follow-up niet alleen in de nieuwssfeer zouden zoeken, maar in een volgehouden ernstige aandacht.

Wie serieuze onderzoeksjournalistiek alleen durft te brengen als supernieuwswaar lokt bij het bestuur de meest primitieve reflexen uit: hoe komen we zo snel mogelijk van deze pijnlijk bijtende luis in de pels af?

Door de resultaten van grondige research zelf ook wat minder in de rellerige sfeer te brengen, zal het respect voor dit onderzoek aan de kant van het openbaar bestuur toenemen. Ook hier dreigt dus een fatale wisselwerking.

Voor de toekomst van de onderzoeksjournalistiek is het van groot belang dat volksvertegenwoordigers leren zien dat zorgvuldige journalistiek een bondgenoot is in de controle op de macht. Sterker nog, de beperkte onderzoekscapaciteit van de Kamer en van de media vraagt om wederzijdse versterking.

De Kamer zou bij grondige analyses in de media sneller aanvullend eigen onderzoek moeten doen. En de media zouden meer moeten doen met hetgeen de Algemene Rekenkamer en andere toezichthouders aandragen, en zich niet moeten beperken tot een ‘nieuwswaardige’ behandeling van die rapporten.

Er is hier sprake van een soort Wet van Gresham in de communicatie: slechte journalistiek drijft goede journalistiek uit.

Is er toekomst voor de onderzoeksjournalistiek? De marktverhoudingen stemmen niet optimistisch. Toch is er maar één echt antwoord op de risico’s die zich aandienen: volgehouden authentieke professionaliteit.

Er dringt zich een interessante parallel op met de positie van beginselpartijen in het huidige politieke landschap. Ruim een derde van de kiezers is al een tijdje op drift. En dat is een sobere schatting.

In de vluchtige en populistische tijden waarin we leven proberen de beginselpartijen krampachtig die van hun ankers losgeslagen kiezers weer aan zich te binden.

Ze waaien dan makkelijk mee met de opinies van de dag. Een vorm van opportunisme, waardoor hun betrouwbaarheid terugloopt en in feite het gevoel van onbehagen bij de afhakers wordt versterkt.

Die zoeken, nog meer dan voorheen, hun heil in de beschutting van partijen aan de uiteinden van het spectrum.

Zo baart vluchtigheid vluchtige consequenties. De schoenmakers die zich in dit proces relatief nog het meest bij hun leest houden, CDA en vooral de ChristenUnie, blijken het minst kwetsbaar.

Er zal voor serieuze journalistiek te midden van oneindig veel informatie, media en amusement altijd een eigen, wellicht wat beperkte, markt zijn – als krant, omroepvereniging, programmamaker en journalist tenminste niet onder de druk van kijkcijfers, oplagen en advertentieopbrengsten proberen iets anders te zijn dan hun missie.

Hoe oppervlakkiger, schreeuweriger en commerciëler veel uitingen worden, des te meer de discipline van het grondige onderzoek geboden is.

Zolang kranten zichzelf nog als kwaliteitsproduct willen en durven verkopen, zolang zullen hoofdredacties ruimte moeten maken in tijd, menskracht en kolommen om die pretentie waar te maken. En zonder onderzoeksjournalistiek zal dat niet lukken.

Authentieke professionaliteit betekent ook je niet te goed voelen om eventuele fouten in onderzoek toe te geven, en de bereidheid te hebben je jegens de publieke opinie te verantwoorden als er op aard en inhoud van onderzoek kritiek komt.

Mijn ervaring is dat het makkelijker is met leden van het koninklijk huis over het functioneren van de monarchie te spreken dan met journalisten over de kwaliteit van hun werk.

Wie lukrake en chaotische wereld van media en politiek gezagvol zijn rol wil blijven vervullen, moet zelf bereid zijn het maatschappelijk debat over eigen functioneren te voeren. Wat dat betreft, zitten media en openbaar bestuur in hetzelfde schuitje: respect moet verdiend worden, elke dag opnieuw.

Gerelateerde artikelen

De Wob verdwijnt per 1 mei en wordt vervangen door de WOO, de Wet Open Overheid. In het eerste VVOJ Café van dit jaar komt Annemarie Drahmann, universitair hoofddocent bestuursrecht aan de Universiteit Leiden, vertellen wat er verandert met de nieuwe wet.

Eindelijk weer samen! Dat gevoel overheerste op de VVOJ Conferentie 2021 in Brussel, die vlak voor het ingaan van zwaardere lockdown-maatregelen kon doorgaan. Vaste conferentiegangers weten dat het gesprekje in de wandelgang, het vlugge contact via de nieuwe conferentieapp en de kans om samenwerkingsplannen te smeden tijdens het diner minstens zo belangrijk zijn als de keynote-sprekers, de VVOJ-essayist en de meer dan 36 losse workshops en debatten.

Bjørn Oostra, hoofdredacteur De Limburger, is de winnaar het van het Vliegwiel, de prijs van de Vereniging van Onderzoeksjournalisten bedoeld voor de hoofdredacteur of manager die de onderzoeksjournalistiek dit jaar het meest heeft gestimuleerd.

Vorige week heeft de VVOJ het tweede Regiocafé gehouden waarin collega’s uit verschillende delen van het land de verhalen achter hun onderzoeksverhalen vertelden. Een doorslaand succes! Heb je het gemist of wil het herbekijken? Dan kan dat op YouTube.

Vanaf dinsdag 7 september staat de weg naar eeuwige roem voor onderzoeksjournalisten weer open: het is dan mogelijk om jezelf of anderen voor te dragen voor dé prijs voor onderzoeksjournalistiek: De Loep 2021!

Chris de Stoop kreeg afgelopen juni de oeuvreprijs van de VVOJ, maar ‘journalist’ voelt Chris De Stoop zich al jaren niet meer. Dus werkt de Vlaamse boerenzoon niet meer voor het toonaangevende weekblad Knack, maar wijdt hij zich aan het schrijven van boeken die – dat dan weer wel – alom geprezen worden om hun gedegen journalistieke onderzoek.

Op vrijdag 24 juni 2022 zijn op de Avond voor de Onderzoeksjournalistiek in Antwerpen de Oeuvreprijs 2022, de ASN Aanmoedigingsprijs 2021 en de Loep 2021 uitgereikt. Met deze prijzen viert de Vereniging van Onderzoeksjournalisten (VVOJ) jaarlijks de beste onderzoeksjournalistiek in Nederland en Vlaanderen.

Sluit je aan bij de vereniging van onderzoeksjournalisten

En vergroot je kennis én netwerk