Ophef over uitspraak Raad voor de Journalistiek telefoonopname

Kenniscentrum

Telefoongesprekken heimelijk opnemen als geheugensteun of bewijs bij beschuldigingen, is niet ongebruikelijk in (onderzoeks)journalistieke kringen. En ‘niet ongeoorloofd’, aldus de Raad voor de Journalistiek in een uitspraak uit 1997. Toch heeft diezelfde Raad een redacteur van NRC Handelsblad er nu voor op de vingers getikt. De krant heeft per brief geprotesteerd. Buiten en binnen de Raad roept de uitspraak vragen op.

Tekst: Arno Kersten, 24 augustus 2009

Tegen uitspraken van de Raad voor de Journalistiek is geen beroep mogelijk. NRC Handelsblad heeft desondanks om opheldering en een heroverweging van de uitspraak gevraagd.

Adjunct-hoofdredacteur Sjoerd de Jong: “We vinden dit een belangrijk punt, omdat het de hele beroepsgroep aangaat. Ik denk dat met name onderzoeksjournalisten ernstig gehandicapt zullen zijn als ze niet meer mogen terugvallen op een opname die als backup is gemaakt om zorgvuldig te zijn.”

Klacht
In RvdJ-zaak nummer 2009/43 speelde de bandopname van een telefoongesprek aanvankelijk geen rol. De geïnterviewde wist niet dat er een bandje was. Natuurontwikkelaar Habitura diende op 15 mei een klacht in tegen NRC-redacteur Joep Dohmen en diens hoofdredacteur wegens vermeende journalistieke onzorgvuldigheid rondom een artikel over een onroerend goed-transactie.

De klagende partij claimde onder meer dat ze onvoldoende tijd had gekregen voor wederhoor en dat een interview was ‘afgedwongen’ door de journalist. In het verweerschrift, een week voorafgaand aan de zitting, bood Dohmen aan een bandopname van een telefoongesprek te overleggen, als bewijsmateriaal tegen die aanklacht. Daarop kwam er een nieuwe klacht bij: de bandopnames waren zonder medeweten van de geinterviewde gemaakt en dat zou onzorgvuldig zijn.

Op het punt van die heimelijke bandopname oordeelt de Raad nu: ‘verweerders hebben journalistiek onzorgvuldig gehandeld door een of meer telefoon-gesprekken op te nemen zonder medeweten en toestemming van klaagster.’

De Raad verwijst naar de eigen Leidraad, waarin staat dat journalisten het moeten melden als ze telefoongesprekken opnemen met het doel delen van die opname uit te zenden of te publiceren.

In de motivering van de recente uitspraak wordt niet gerefereerd aan het doel waarmee de opnames van NRC Handelsblad zijn gemaakt. Dat is op zich opmerkelijk, want in een eerdere uitspraak van de Raad spelen die doeleinden juist een cruciale rol en rechtvaardigen ze een uitzondering op de ‘strenge’ regel. Het betreft de zaak van Oltmans tegen Olgun, uit 1997, waarin de Raad motiveert:

>Het onderhavige geval kenmerkt zich vooral hierdoor dat het een interview betrof van klager die zelf journalist is en van wie, gelet op zijn ruime journalistieke ervaring, mag worden verwacht dat hij zich ervan bewust was dat de door hem gedane uitlatingen door de interviewer niet als vertrouwelijk (“off the record”) of van persoonlijke aard zouden worden beschouwd maar door de interviewer zouden worden gebruikt. Voorts acht de Raad aannemelijk dat, zoals de betrokkene heeft gesteld, de opname is gemaakt om te dienen als geheugensteun voor betrokkene bij de verslaglegging en om zich in te dekken tegen beschuldigingen achteraf.
Onder deze omstandigheden verdient het weliswaar aanbeveling om de geïnterviewde mede te delen dat het gesprek op de band wordt opgenomen, maar als de band uitsluitend wordt gemaakt voor de zojuist genoemde doeleinden, maakt het achterwege laten van die mededeling de opname niet ongeoorloofd.<

Adjunct-hoofdredacteur Sjoerd de Jong van NRC Handelsblad: “Ik dacht dat we ons binnen deze norm bevonden. Dohmen heeft zichzelf bekend gemaakt als journalist en het was duidelijk dat hij bezig was aan een publicatie. De opname is puur gemaakt om citaten naderhand te checken, omdat we hechten aan letterlijke citaten. Niet om uit te zenden of integraal te publiceren. We zijn geen radiostation.”

“Met een bandje beschik je over de beste aantekeningen die je kan hebben”, aldus VVOJ-voorzitter Jeroen Trommelen. “De journalist in kwestie werkt zo zorgvuldig dat hij bewijs kan aanvoeren om zich te verdedigen tegen een beschuldiging, en dan wordt die bewijsvoering tegen hem gebruikt. Ik begrijp het niet. Dit is de Raad tegen de Journalistiek.”

NVJ-advocaat Siep van der Galiën: “De uitspraak is in strijd met de norm van de Raad zelf. De Raad gaat voorbij aan het feit dat de opname niet is gemaakt voor uitzending of publicatie. Als er andere overwegingen zijn geweest die deze uitspraak dan wel zouden rechtvaardigen, dan was een extra motivering op zijn plaats geweest. Naar mijn mening is die uitspraak op dit punt daarom een misslag.”

Reactie Raad voor de Journalistiek
De ophef heeft ook voorzitter Ton Herstel van de Raad voor de Journalistiek bereikt. Hij heeft een antwoord aan NRC Handelsblad klaarliggen. Daar staat in dat herziening niet mogelijk en revisie niet van toepassing is. Maar ook dat de uitspraak op de agenda komt van de volgende plenaire bijeenkomst van de Raad.

Herstel: “Ik vind dat wij als Raad in onze plenaire vergadering dit najaar over dit punt moeten discussiëren, nu het tot zo’n ophef leidt. Dat zou in het heel bijzondere geval ertoe kunnen leiden dat we moeten constateren dat we de Leidraad op dit specifieke punt wat moeten aanpassen.”

“Het is duidelijk dat binnen de journalistiek niet iedereen er hetzelfde over denkt. In onze Kamer zaten twee gerenommeerde journalisten die de uitspraak van harte hebben onderschreven.”

Herstel verwijst naar eerdere uitspraken, onder andere uit 1986, waarin de Raad heimelijke opnames in het algemeen als onzorgvuldig typeert. “Het opnemen van een telefoongesprek als journalist zonder dat je dat mede deelt aan degene met wie je een gesprek voert, is in principe niet netjes.”

De RvdJ-voorzitter weet ook van de uitspraak in de ‘Oltmans’-zaak uit 1997 en de uitzondering die daarin gemaakt wordt voor opnames die gemaakt zijn als geheugensteun of bewijsmateriaal.

Gaan journalisten er dan onterecht vanuit dat heimelijke opnames als geheugensteun toegestaan waren door de Raad?

Herstel: “In deze laatste uitspraak van de Raad voor de Journalistiek wordt eigenlijk ondubbelzinnig gezegd dat dat dus niet door de beugel kan, nee. En dat in dit geval kennelijk ook die uitzonderingsclausule niet van toepassing was. Daarom gaan we er dit najaar over praten, want de uitspraak in de zaak-Oltmans was toch een slag anders.”

Open vizier
Wat is er op tegen om altijd voorafgaand aan een gesprek te zeggen dat je het opneemt? Trommelen: “De taak van journalisten is om aan waarheidsvinding te doen, zeker waar die waarheid niet uit zichzelf naar boven komt. Journalisten werken met open vizier en maken zichzelf kenbaar als zodanig. Als ik vervolgens allerlei extra opstakels ga opwerpen, zoals zeggen: ik neem dit gesprek wel op hoor, zet je mensen aan tot extra behoedzaamheid en zullen ze minder geneigd zijn frank en vrij te spreken.”

NVJ-advocaat Van der Galien: “Er worden steeds meer procedures gevoerd tegen journalisten, en het gaat vaak om de vraag: wat is er nou wel of niet gezegd? Met een bandje kan een journalist onomstotelijk aantonen dat de citaten kloppen en het vergroot de zorgvuldigheid.”

Van der Galiën: “Stel dat je een politicus interviewt. Die mag het gesprek wel heimelijk opnemen, want op basis van het civiele recht is dat toegestaan. Maar de journalist die hetzelfde doet, wordt op de vingers getikt omdat hij zich moet houden aan de strengere code van de Raad voor de Journalistiek.”

Trommelen: “Als de Raad te vaak mogelijkheden beperkt die door de wet wel zijn toegestaan, zullen journalisten steeds vaker de schouders ophalen over een uitspraak. Zo holt de Raad zelf haar gezag uit.”

Bij de zitting op 25 juni bleek dat de zaak werd behandeld door een voorzitter en twee leden van de Raad. Een ander lid, freelance journalist Peter Olsthoorn, was op verzoek van Dohmen gewraakt, omdat ze elkaar en elkaars werk te goed zouden kennen.

Olsthoorn was gastspreker tijdens het VVOJ Cafe bij het Centraal Bureau voor de Statistiek, op 20 april in Den Haag. Bij die gelegenheid raadde hij collega-journalisten aan telefonische interviews op te nemen, met of zonder kennisgeving, om nauwkeuriger te kunnen werken en bij eventuele beschuldigingen bewijsmateriaal achter de hand te hebben.

Een datum voor de plenaire najaars-bijeenkomst van de Raad voor de Journalistiek is er nog niet. Naar verwachting zal dat eind september of oktober zijn. Binnen de Raad leven al enige tijd plannen om de reglementen en statuten te herzien.